Katakana tekens, plaatsbepalingen.
Bij de vorige les:
Oefen ook de tekens die bij de cijfers horen, die we in les 2 hebben geleerd.
Katakana
We gaan wat vooruit oefenen met katakana tekens.
- De lijdend-voorwerp-O schrijf je niet met een katakana-teken, want katakana
is voor buitenlandse woorden en zo, als je hem nodig hebt gebruik je de
lijdendvoorwerp-o van Hiragana (
) .
(Ook in Hiragana: als je een lange klinker hebt schrijf je een klein ‘tsu’
tekentje ( )
er achter.)
Katakana is voor zelfstandige naamwoorden. Alleen worden ze soms ook in
een comic boek gebruikt, omdat ze decoratief zijn en voor de nadruk, soms.
- Als je in Hiragana twee oo’s hebt staan in een woord (bv in Tookyoo),
dan schrijf je de tweede o als een u, maar spreek je hem uit als een o.
In Katakana schrijf je voor elke lange klinker ipv de tweede klinker een
streepje: een liggend streepje als je van links naar rechts schrijft en
een staand streepje als je van boven naar beneden schrijft.
BV: Computer = conpyuutaa, dan 2e u en 2e a = -
- In katakana mag je de klinkers: a, i, u, e, o, ya, yu en yo, ook klein
schrijven als je ze maar heel kort uitspreekt in een woord. BV in ‘whiskey’
is de ‘whi’-klank maar heel kort. Dan schrijf je de “wi”
klank uit het engels als “ui”. En “uo” spreek
je uit als ‘wo’.
’Tea’ uit ‘teaparty’ schrijf je als tei.
Er zijn een boel manieren om buitenlandse woorden te schrijven. Gelukkig
is het maar zelden zo dat één manier de juiste manier is.
Zolang je met katakana ongeveer de uitspraak van het woord benadert is
het goed.
Oefen katakana door de volgende woorden op te schrijven met katakana
tekens:
• Radio (ipv ‘di’ gebruik je ‘ji’)
• Bier (bieru)
• Restaurant (tesutoranto)
• Taxi (takusi)
• Warehouse (depaato, van ‘department store’)
• Menu (menyuu)
• Whine (wain)
Bij ‘ji’ gaat S voor de T (s > t), dus je gebruikt eerder
(tekentje > tekentje)…
Let op de richting van de streepjes, deze tekens lijken op elkaar.
N = 
So = 
Shi = 
Tsu = 
Als je ze met een pen schrijft, maak dan aan het begin van de grote
streep een klein hoekje zodat je het ene teken van het andere kan onderscheiden.
Plaatsbepalingen
Met de woordjes van de vorige les gaan we zinnen maken zoals ‘de
pen ligt (is) op de tafel’.
Het woordje ‘is’ = imasu – voor mensen of dieren
arimasu – voor planten of dingen
Het onderwerp wordt gevolgd door ‘ga’
BV:
Tineke-san ga imasu = Tineke is daar
Hon ga arimasu = (het) boek is daar / er is een boek
De plaats wordt gevolgd door ‘ni’
BV: Tineke-san ga kamer ni imasu = Tineke is in de kamer
De plaatsbepalende woordje svan vorige les (op, bij, achter enz) staan
tussen ‘no’ en ‘ni’.
DUS:
(onderwerp) ga (ding) no (plaatsbepaling) ni (arimasu of imasu)
BV:
Hon ga teeburu no we ni arimasu = het boek ligt op de tafel
Teeburu = tafel (table)
ue/we = op
Tineke-san ga heya no naka ni imasu = Tineke is in de kamer
Heya = kamer
Naka = in, binnen
Depato ga suupa doko ni arimasu ka = waar is de supermarkt?
Doko = waar
In plaats vn de ‘ga’ hierboven mag je ook ‘wa’
gebruiken, de wag geeft in dit geval meer nadruk aan de zin dan ‘ga’.
Dit is precies andersom als bij watashi wa & watashi ga, in dat geval
heeft watashi ga meer nadruk dan watashi wa. IK ben Jopie (en niet hij)!
= watashi ga Jopie.
Supermarkt = suupaa (su – pa – )
De supermarkt is naast de bank = suupaa wa ginkoo no tonari ni arimasu.
Hierboven mag je ipv ‘ni arimasu’ ook ‘desu’ gebruiken.
Oefen zinnen zoals “het koekje ligt op de tafel” en “de
leraar (sensei) is achter het boek”.
Van Jan-Pieter, van de vorige les:
ue = boven, op
shita = onder
naka = in, binnen
yoko = naast
tonari = naast
soba = dichtbij
hidari = links
migi = rechts
mawari = omheen, rondom
mukoo = (aan de)overkant (van), tegenover
mae = voor
ushiro = achter
soto = buiten
chikaku = dichtbij
|