Amber campaign Astrid, karakterachtergrond, 7 december 1992

 

Karakternaam: Murlas, alias Murphy

Speler: Maurice

 

Karakteristieken:                         (Wil        JP          WJ          Bart)

Psyche      rank 1            +21         (20         19          2    -  )

Strength    Chaos rank        -10         ( 5         -          7    10  )

Endurance   rank 1            +31         (22         30          6    11  )

Warfare     Chaos rank        -10         ( 1         -          31    30  )

Persoonlijk dagboek           -10

Verslag (met Bart)                  - 5

Patroon                       +50

Shape shifting                +35

Bad stuff                     - 4

Familievriend                 + 2

Totaal                       +100

 

Uiterlijk: Een knappe vent van zo'n jaar of 35. Hij heeft kort, zwart haar dat hij normaal gesproken naar achteren gekamd heeft, plus een goed verzorgd sikje. Zijn ogen zijn heel donker en hij is 1,80 meter lang.

Hij gaat normaal gesproken keurig gekleed in het zwart met (vuur)rood. Een beetje à la dracula.

Houding: Murlas stelt zich tegenover onbekenden over het algemeen beleefd en wat afstandelijk op. Hij gedraagt zich beschaafd en vriendelijk, hoewel mensen zich bij hem vaak niet helemaal op hun gemak voeren. En misschien ook wel met reden. Als hij ontstemt is, is zijn 'boze' blik nog wel het meest onschuldige wat je kan overkomen, de dood is echter ook geen uitzondering.

Helaas werkt boos kijken alleen tegenover schaduwwezens, Amberieten zijn er bijvoorbeeld niet bijster van onder de indruk. Als hij ze aankan krijgen ze het natuurlijk nog steeds. Maar tegenover de lui die hij niet aankan is Murlas vrij fatalistisch, zij het met haat in de ogen. Hij verwacht niets goeds van hen en verzet zich er eigen­lijk ook niet tegen. Mocht zich een kans voordoen, dan grijpt hij die, maar eigenlijk legt Murlas zich bij het noodlot wel neer.

Murlas is verder vrij eenzelvig en neemt eigenlijk niemand in vertrouwen. Hij is vaak in een wat melancholische stemming.

 

Achtergrond:

Mijn vroegste herinneringen zijn van een heel klein, slaperig dorpje. Ik woonde er een eindje buiten bij tante Janna, een oud mens van het type kruidenvrouw. Ze was er eentje van geen onzin maar doorwerken. De dorpsbewo­ners vonden haar een heks, en mij dus het heksenjong. Ik was een miezerig ventje en dus geen partij voor de jongens van het dorp die mij met stenen bekogelden. Gelukkig kon ik harder rennen. Bovendien waren sommigen van hen best wel bang voor me, vooral als ik erg kwaad werd. Er gebeurden dan wel eens enge dingen zoals handen die in klauwen veranderen. Gelukkig nooit permanent. Tegenover Janna was ik koppig, soms tegen het weerbarstige af.

Op 7 à 8 jarige leeftijd komt er een man het dorp inrijden, helemaal in het zwart gekleed. Hij gaat bij Janna binnen. Ik zie dat de dorpelingen genoeg van ons hebben gekregen en met fakkels en hooipieken eraan komen. Als ik de zwarte man en Janna waarschuw wordt ik genegeerd. De zwarte man is niet onder de indruk van wat ik kan en neemt me mee op zijn paard. Achterom kijkend zie ik nog hoe de dorpelingen het huis van Janna in de fik steken.

De reis is vreemd. Eng. Ik ben bang en hou mijn ogen gesloten.

Als ik wakker wordt lig ik in een kamer, alleen, met de deur op slot. Na een tijd wordt deze open gedaan en verschijnt er een enge vent. Hij is breed en sterk en ik moet hem meester Haro noemen. Ik ben zijn knechtje. Dat betekent dat hij me dingen leert, maar ook dat ik dingen voor hem moet doen. Zakken rollen bijvoorbeeld. Als ik geen geld ophaal krijg ik slaag, doe ik het wel dan krijg ik eten. Ik beland hierdoor wel eens in de gevangenis, waar meester Haro mij dan meestal weer uit haalt. Al snel leer ik dat bedelen de meest effectieve manier is om te geld te krijgen, en dan niet door zielig te doen, maar door de mensen zo gemeen aan te kijken dat ze je uit angst voor een vervloeking het geld geven. Tot de lessen die ik van Haro krijg behoren ook het zwaardvechten en tactische lessen, geen van beiden een genoegen.

Als ik tegen de 15 jaar loop ben ik inmiddels op de ellende ingesteld. Uiteraard komt dan die zwarte vent weer terug. Hij bekijkt mijn prestaties, concludeert dat ik als zwaardvechter hopeloos ben en sleurt me mee. Ik ben weer bang, maar probeer dit keer te ontsnappen door me van zijn paard te laten vallen. Helaas kom ik daarbij ongelukkig op een boomstronk terecht, de vent heeft me al te pakken nog voor ik op kan staan. Hij is duidelijk kwaad. Bang geworden hou ik me verder heel rustig.

Hij brengt me naar een vreemde plaats waar de lucht wisselt en zet me bij een vervallen huis af. Zonder verder nog een woord te zeggen verdwijnt hij. Aangezien de wereld verder niets te bieden heeft ga ik mijn noodlot maar eens bekijken. Via een gang beland ik bij een kamer waarin een haardvuur brandt. Ervoor zit een raar persoon met een bril, donkerrode schubben en klauwen (Galoran). Dit wordt me dus echt te veel, ik maak dat ik weg kom.

Eenmaal ver genoeg van het huis dwaal ik doelloos rond, er is hier verder helemaal niets. Op een gegeven moment hoor ik iemand komen. Doodsbang probeer ik me zo klein en plat mogelijk te maken. Dit lukt me wonderbaarlijk goed. Helaas ziet het harige monster dat er aan komt me meteen. Verbaasd constateert hij dat ik al met de les begonnen ben.

Zo begint mijn opleiding in shape shifting. Het huishouden bestaat uit Galoran, Monias en Perl.

Galoran blijkt best mee te vallen. Hij is de eerste die me eens wat werkelijke inlichtingen wil verschaffen. Zo blijkt de man in het zwart mijn vader te zijn. Het kan zijn dat hij ook van vorm kan verande­ren, maar mijn moeder kon het in ieder geval zeker. Mijn moeder is trouwens door mijn vader gedood.

Monias is een bediende en helaas ook een stuk sterker dan mij, zoals ik maar al te vaak ervaar.

Perl is de huishoudster. Een aardige vrouw die altijd druk in de weer is en een voorliefde heeft voor het koken van allerlei liflafjes.

Zoals te verwachten komt aan alle geluk, hoe betrekkelijk ook, een einde. Mijn vader arriveert.

Mijn vader vertelt me dat ik mensen nooit moet vertrouwen en besluit dat ik mezelf maar eens in een overlevingscursus moet bewijzen. En dus word ik gedumpt in een wereld vol met monsters. Gelukkig blijk ik helemaal niet zo zwakjes te zijn als ik tegenover sommige mensen lijk. Bovendien kan ik me van vorm veranderen. Al met al weet ik me uiteindelijk dan ook prima te redden.

Dit kan zo niet duren. Op een gegeven dag voel ik dan ook iets in mijn hoofd. Het zaakje niet vertrouwend verzet ik me er uit alle macht tegen. Het kost me een barstende koppijn, maar ik weet de druk in mijn hoofd te weerstaan. Tenminste, de eerste keer. Een paar uur later is er weer een poging, en deze keer is het zo sterk dat ik er geen weerstand aan kan bieden. Ik zie dan ook al spoedig mijn vader in mijn hoofd. Hij vindt het op zich prima dat ik mensen uitsluit, maar dat dient dus niet voor hem te gelden. Hij moet echter toegeven dat er geen manier is om te weten van wie die druk in je hoofd afkomstig is. Niet dat hij er veel tijd aan besteedt. Ik moet naar hem toekomen. Hij steekt daartoe in mijn hoofd zijn hand naar mij uit. Als ik die geestelijk aanneem kom ik in een toren terecht. De toren blijkt onderdeel van een luxe paleis. Een paleis dat in rep en roer lijkt te zijn. Mijn vader besteedt er echter geen aandacht aan en leidt mij naar de kelders. Tot mijn verbazing brengt hij me echter niet naar de kerkers maar naar een grot met in de vloer een blauw­achtig iets.

Als ik hem afwachtend aankijk begint hij toch maar eens iets uit te leggen. Deze plek blijkt Amber te heten en het blauwachtig iets is het patroon. Amber is het middelpunt van de wereld en het patroon is de macht. Het is de bedoe­ling dat ik het patroon ga lopen. Ik moet daarbij op de lijn blijven, kan niet terug en moet doorgaan tot ik bij het einde kom. Het patroon kan alleen door afstammelingen van Oberon gelopen worden, ik ben een kleinzoon van hem.

Het patroon blijkt verschrikkelijk zwaar te zijn. Maar na een eeuwigheid waarin alle nare ervaringen weer terug komen weet ik toch het eindpunt te bereiken. Het patroon heeft wel wat met me gedaan. Ik voel ook een zekere macht. Als mijn vader me de opdracht geeft om me naar hem te verplaatsen besluit ik daaraan gehoor te geven. Afwachtend kijk ik hem daarna weer aan. Wat nu?

Mijn vader blijkt een beetje met me in z'n maag te zitten, hij heeft geen tijd voor mijn opvoeding. Maar dan klaart zijn gezicht op, hij weet wel iemand.

Voor het eerst zelf paard rijdend, een ellende, brengt hij me bij sterk persoon met lang, donker haar. Hij draagt een soort harnas en heeft een groot paard. Uit de neusgaten van het paard komt stoom. De man wordt vergezeld van een hele meute honden. De vent blijkt Julian te heten en een oom van me te zijn. Mijn vader draagt me aan zijn zorgen over en verdwijnt. Julian zegt dat ik hem moet volgen en vertrekt in vol galop. Ik weet hem maar ternauwernood bij te houden. Uiteindelijk arriveren we bij zijn kasteel. Daar geradbraakt aangekomen erken ik maar al te graag dat ik wel wat lust. Wat heet, ik ben uitgehongerd.

En zo begint mijn periode bij Julian, een redelijke aangename zelfs. Julian blijkt best een geschikte kerel die me neemt zoals ik ben, zij het dat hij me de bijnaam Murphy geeft. Hij leert me schaduwmanipulatie, maar ook praktische dingen als paardrij­den. Andere dingen leer ik zelf, of met hulp van zijn rondborsti­ge bedien­des. Julian heeft een compleet troevendek, legt me de werking ervan uit en laat me zo ook de gezichten van mijn familie zien. Verder is hij de eerste die me echt wat over mijn familie wil vertellen. Het blijkt dat mijn vader Kain heet. Hij is, evenals Julian, een zoon van Oberon. Amber is op dit moment in oorlog met chaos. Mijn moeder komt van die laatste plaats. Dat is ook de reden dat mijn vader haar gedood heeft. Ook de reden trouwens dat aan dit geluk een einde komt. Dit keer is het echter niet mijn vader die me weer meesleurt. Julian meent echter dat Amber op dit moment niet zo'n goede plaats voor me is. Gezien mijn afkomst zouden ze me wel eens als spion kunnen beschouwen. Hij denkt dat ook dat het beter is als ik me voorlo­pig maar een tijdje in de schaduwen gedekt hou. Ik krijg zijn troef mee zodat ik altijd contact met hem op kan nemen.

 

In de schaduwen:

Sindsdien heb ik me in de schaduwen vermaakt. In het begin heb ik heel veel met extremen geëxperimenteerd. Dat wordt echter al spoedig flauw. Wat naar­geestige werelden spreken me eigenlijk nog het meeste aan, vooral de schaduwen die de sfeer van de Schotse hooglanden uitademen. Zo af en toe zoek ik een schaduw op waarin het dorp kan liggen waarin ik ben opgegroeid om me daar op de bevolking uit te leven. Niet dat het voldoening schenkt, maar het lucht in ieder geval op. Verder ben ik naarstig op zoek naar meer informatie over zowel Amber als Chaos. In werelden met realiteitsbasis moet via de geschiedenis toch het een en ander te achterhalen zijn. Occulte geschiedenis is daarbij trouwens het meest interessant. Ach, en bij wijze van grap kun je best wel een keertje bij een occulte oproeping verschijnen.