7 januari 1994                                                   Sessie 17                                              Afwezig: Bettina

 

                                                                      De campaign bestaat 1 jaar!

 

 


Murlas wordt wakker van een dolk op zijn keel. Als dat Lisa niet is. Ze verlangt van Murlas dat hij Martin meeneemt en meteen terugkeert naar Amber. Zijn initiatie in het Juweel betekent namelijk dat hij tussen de twee werelden kan reizen. Hij moet daarvoor wel de poort vinden, Lisa weet waar die is. Martin was niet geïnitieerd en ligt nu dan ook in coma. Lisa zelf is ook niet geïnitieerd en hoewel ze niet in coma ligt, kan ze zelf Martin niet terugbrengen. Tytane zou hem volgens Lisa verder ook wel een voorstel doen, maar in een belofte van Tytane zou Murlas volgens haar maar niet al teveel vertrouwen moeten stellen. Murlas wil nog graag weten hoe het nu precies zit met dat Juweel en die scheur maar moet zich ermee tevreden stellen dat iets dergelijks volgens Lisa niet meer zal gebeuren. Daarvoor zijn er hier teveel mensen van op de hoogte.

Aangezien Murlas geen keuze heeft, gaat hij maar op Lisa's aanbod in. Lisa ruimt op de gang nog even een wachter uit de weg en leidt Murlas dan naar Martin, die een paar kamers verder ligt. De weg voert vervolgens naar de alternatieve Tir-na Nog'th, gelegen op de alternatieve Kolvir. Lisa neemt voor de trap naar de spiegeling afscheid en legt Murlas uit dat hij naar Arden moet gaan, daar ligt de poort naar zijn wereld (Murlas krijgt het gevoeld dat het eigenlijk ook haar wereld is).

De stad waardoor Murlas loopt is Amber, maar dan vervormd, zilverig van kleur. Murlas ziet wel schimmen, maar de schimmen lijken hem niet op te merken. Zo ziet hij Caine, lopend langs een pony met daarop een jongetje met donker haar. Ze praten met elkaar.

Verderop ziet Murlas een pentagram met een aantal mensen eromheen. 4 ervan herkent Murlas van de troeven van Sand, de vijfde is een hem onbekende vrouw met lang, donker haar. Het pentagram heeft iets met Murlas te maken. Aangezien het pad dwars door het pentagram voert, loopt Murlas er ook doorheen. Als hij in het midden staat krijgt hij het gevoel dat ze hem even allemaal aankijken. Dan zijn het pentagram en de eromheen zittende schimmen verdwenen.

Ook belandt Murlas in een park met allemaal grijze, stenen beelden: Alexander, schakend tegen een vormeloze tegenstander; Adrian in zijn Chaos vorm; Vincent, een kapot en hol beeld; Azrain, met 1 hand en 1 haak; Dorian met een naakte vrouw zonder gezicht in zijn armen; Martin, een van zijn voetstuk gevallen beeld; Boadice met een intiem om haar heen kronkelende grote slang; Algo, geknield voor Rhiane die net haar zwaard klaar heeft om zijn hoofd eraf te meppen; Coral, gezeten op een eenhoorn; twee beelden van Rinaldo met hun regen naar elkaar toe; en een geblinddoekt beeld van waarschijnlijk Merlin. In het midden staat een Murlas welbekend kapelletje. In plaats van een zwarte troef treft hij er dit keer echter een beeld van Lisa op het altaar aan. Murlas denkt dat het beeld van Vincent de enige holle is, maar hij heeft helaas geen zwaard bij zich om dat op het beeld van Algo uit te probe­ren.

Hij nadert Arden al aardig als er een zwarte ruiter voorbij gegaloppeerd komt, gevolgd door een witte, en tot slot een blauwe. Dan hoeft hij alleen nog de uitgebrande vallei door met dat sfeervolle Schotse kasteeltje en hij is op de plek waar normaal Arden begint. Er begint hier een bos waar een paadje in leidt. Drie witte uilen staren Murlas aan. Ze fladderen weg als hij de poort nadert.

Murlas volgt het pad verder en komt bij een harlekijn die op een boomstronk zit te fluiten. De harlekijn heet Heer Murlas welkom bij hun selecte gezelschap. Nieuwe spelers zijn wat hem betreft altijd welkom. Hij vraagt of Murlas zijn ambities reeds gekozen heeft. Murlas wil weten hoe hij heet maar moet het doen met de naam Harlekijn. En hij is nu toegetreden tot het Gezel­schap van de Wandelaars, zij die tussen de Werelden wandelen. Het is volgens de Harlekijn gebruikelijk dat wandelaars een kant kiezen, welke hangt af van hun ambities. Er blijken vier partijen te zijn. Murlas is duidelijk geen zuster of monoliet, zodat hij ofwel voor de cirkel, ofwel voor de wakers moet kiezen. Neutralen zijn hier namelijk niet zo gebruikelijk. Harlekijn behoort zelf tot de Wakers. Murlas wil hem niet zeggen wat zijn ambities eigenlijk zijn. De harlekijn accepteert dit en verdwijnt met een knip.


Het volgende wezen dat Murlas tegenkomt is een zwarte wolf. Deze loopt eens sniffend om Murlas heen. Hmm, een nieuwe rekruut. De wolf wil weten wie die persoon is die Murlas al de hele tijd meesleept en waarom hij die niet gewoon laat stikken. Murlas beweert zo zijn redenen te hebben en vraagt de wolf waarom hij die aan hem zou vertellen. De wolf merkt op dat hij maar een watje is en verdwijnt.

Murlas loopt verder en komt zo al spoedig bij nummer drie uit. Dit is een platinablonde vrouw die verveeld op haar sofa druiven ligt te eten. Murlas groet beleefd en vraagt of zij ook een deelneemster aan het spel is. De vrouw is veront­waardigd, zij is de meester. Het spel vindt ze verder niet zo interessant, ze droomt het alleen maar. Murlas is volgens haar hier om haar te vermaken. Dat doet hij al redelijk met zijn voor­stel om wat zijn gebrek aan kennis te ruilen tegen haar overvloed daaraan. De vrouw vindt het een leuk idee en verdwijnt met een knip.

 

Dorian besluit tot een reddingspoging van de door zo'n acht lieden bedreigde dame. Met een wel gemikt kruisboogschot velt hij de leider. De rest stopt met zingen en zoekt professioneel dekking, ondertussen hem proberend te omsinge­len. Dorian wacht dit niet af en stormt ter paard op de dame af. Hij krijgt een stel werpsterretjes naar zijn hoofd geslingerd, maar die missen. De dame is duidelijk nog een beetje van de wereld en laat nog steeds de hele schaduw golven. Aange­zien Dorian zo niet bij haar kan stijgt hij af en rent hij naar haar toe. De belagers weten hem met een werpster te treffen en ook zijn paard wordt enkele malen geraakt. Verder ziet Dorian dat ze zijn terugweg aan het afsnijden zijn. Daarom pakt hij de dame bij een arm en sleurt hij haar verder mee naar boven, het paadje langs. Boven aange­komen ziet hij verderop een bosrand, een bosrand die ze voor hun belagers weten te bereiken. Dorian weet er dekking te zoeken en maakt troefcontact met Sand. Deze haalt hen beiden over.

De geredde dame blijkt Aradia te heten, iets wat Dorian al wel wist, maar U lezer, nog niet. Ze wordt door een bediende meegenomen. Dorian kijkt nog wat rond en ziet daar een hem bekend schilderij. Dat schilderij kent hij, maar waarvan ook alweer? Sand denkt dat ze niet veel tijd zul­len hebben, wil Dorian zijn dochter tenminste redden. Dochter? Ja. Dat Caine tegen zijn zoon zei dat hij een zoon had in plaats van een dochter, ach. Aradia hebben ze nodig om straks binnen te komen in de door Caine gebarricadeerde schaduw. Ze heeft namelijk een speciale kracht over scha­duwen. Dorian's dochter heet volgens Sand trouwens Diana.

Sand haalt drie paarden op en troeft Dorian, Aradia en zichzelf naar een schaduw met een gigantisch grote boom en begroet deze. De boom heet Ygg, kan praten en maakt even kennis met Dorian, zoon van Deirdre. Dan begint het drietal aan hun hellerit. Ze stoppen in een schaduw met een klein kasteeltje in een rotsachtige omgeving. Er is een zeer sterke barrière om heen. Adrian houdt voor alle zekerheid de troeven van Amber, Adrian, Murlas, Diana en Random bij de hand, terwijl Aradia aan het werk gaat. De grond begint steeds erger te golven en begint dan om hen heen te draaien. Uiteindelijk vormt het een soort bol waarin ze door de barrière heen walsen. Aan de andere kant blijft Aradia achter, terwijl Sand en Dorian naar het kasteel sprinten. Beiden hebben hun zwaard getrokken. Dat blijkt nodig ook, want binnen worden ze aangevallen door reptielachtige wezens met 4 armen. Sand mept er dwars door­heen, maar Dorian heeft met twee tegenstanders tegelijk al grote problemen. Het is maar goed dat Sand een pad vrij hakt, Dorian er doorheen sleept en vervolgens iets achter zich werpt waar de wezens niet langs kunnen.


Zo komen ze bij de deur waarachter Caine volgens Sand al begonnen is. Dorian laat haar voor gaan. Binnen komen ze in een soort magisch werkvertrek, compleet met alle daarbij behorende attributen. Diana is er ook, naakt en horizontaal zwevend in een pentagram. Caine is opgewekt neuriënd in een boek aan het bladeren. Hij kijkt verstoord op bij Sand's binnenkomst: "Dierbare zuster, ik geloof niet dat ik jou uitgenodigd heb." Dorian is wel welkom, Caine kan nog wel wat hulp gebruiken. Hij is nou net bij het laatste stadium aanbeland. Om Deirdre te redden heeft hij Diana's bloed nodig. Niet dat dat erg is, hij heeft haar er tenslotte speciaal voor laten verwek­ken. Dorian voldeed niet aangezien hij een man was. Dorian is het toch niet helemaal met de offering van Diana eens en loopt naar voren. Caine is verstoord, het gaat tenslotte om Dorian's moeder. Dorian is niet onder de indruk, het gaat namelijk ook om zijn dochter, en hup, daar gooit hij een boek naar Diana. Caine waarschuwt dat Dorian het ritueel aan het verstoren is. Mooi zo, en daar vliegt weer een boek. Maar als Caine waar­schuwt dat zo niet alleen zijn moeder maar ook Diana zal sterven stop Dorian. Sand merkt dan droog op dat ze denkt dat dat wel mee zal vallen. Caine bijt haar toe zich er buiten te houden, volgens hem haat Sand namelijk Dorian's moeder. Dorian weet niet helemaal wat hij hier­van denken moet, hij krijgt slechts een geheel onschuldige blik terug. Caine wil verder weten waar hij aan toe is. Hij heeft hier toch ontzettend zijn best voor gedaan en Dorian heeft zelfs beloofd dat hij hem Caine bij het terugbrengen van Deirdre zou helpen. Volgens Dorian kan dat wel zijn, maar de prijs is hem te hoog. Caine vindt een dergelijke prijs voor zijn zuster in het geheel niet te hoog. Toch stelt hij voor om de hoeveelheid bloed dan maar te beperken. Alhoe­wel Diana het ritueel dan waarschijnlijk wel zal overleven, wordt de kans dat het mislukt zo wel groter. Verder merkt Caine nog op dat Diana er zelf in toegestemd heeft. Dorian kijkt hem met duidelijke twijfel aan waarop Caine kil laat weten dat Dorian zijn woord heeft. Op Sand hoeft Dorian verder niet te rekenen, hij zal dit zelf moeten oplossen. Wel is het zo dat Sand's aanwe­zigheid duidelijk uitmaakt voor Caine's reactie. Hij kan Dorian nou niet behandelen als het snotjochie wat hij eigenlijk is. En zo wordt besloten Diana's bloed maar wat minder royaal te gebruiken.

Caine snijdt Diana's polsen door en schrijft met haar bloed allerlei symbolen op haar lichaam. Dan volgen er nog allerlei andere rituelen. Deze hebben duidelijk effect, want Dorian begint verschijningen te zien die hem aan de blauwe macaroni doen denken, maar dan anders. Het begint vanuit het pentagram, en gaat vandaaruit omhoog. Caine is er duidelijk zeer ingespannen mee bezig en de krachten waarmee hier gewerkt wordt zijn dan ook enorm. Te enorm misschien, Dorian krijgt de indruk dat er iets aan Caine ontsnapt. Overal om hem heen voelt hij de Kracht, een ware storm. Volgens Dorian kan dit nooit de bedoeling zijn. Dan is het allemaal weg en valt Caine op de grond. In het pentagram ligt Diana, bebloed maar levend. Caine baalt als een stekker, ze was ook zo dicht bij.

Dorian besteedt geen aandacht aan Caine en snelt op Diana toe. Terwijl ze langzaam bij kennis komt slaat hij zorgzaam zijn cape om haar naakte lichaam. Diana slaat dan haar ogen op en kijkt Dorian verbaasd aan. Het is duidelijk dat ze hem niet herkend. Dorian vertelt zijn naam en krijgt een verbijsterde, maar ook blije reactie. Ze had geen idee dat het al zo lang geleden was. Caine vraagt dan aarzelend "Deirdre?!" Voor hem echter geen dankbaarheid. Fel werpt ze hem toe "Jij stomme idioot! Je had bijna mijn kleindochter vermoord."

 

In tegenstelling tot wat het vorige log vermeld­de, was het Adrian die met de jonge miss Hendra­ke kennis gemaakt had en de kapel van Flora gezien had. Hij brengt het feest verder dansend door, het ongemak van zijn vleugels daarbij maar voor lief nemend. Gelukkig heeft hij nauwelijks meer last van opdringerige vrouwspersonen.

De volgende dag krijgt Adrian troefcontact van Merlin. Hij wordt overgehaald en maakt kennis met een aantal demonische wezens. Deze zien hem duidelijk meer als studieobject dan als persoon. Uiteraard moet hij alles uitleggen en als ze hem vragen of het niet in hem opgekomen was dat zoiets wel eens gevaarlijk kon zijn voor een familielid van Amber, komt Adrian niet verder dan "Het leek me wel leuk." De volgende vraag is of Adrian nog het Patroon kan gebruiken. Hij probeert dat onmiddellijk, en hoewel dat gezien de stank die de Logrusgasten gewaar worden wel lukt, gaat het Adrian toch niet lekker af.

Een donkerrode demon met een brilletje blijkt Suhuy te zijn. Hij legt uit dat Chaos zijn lichaam in de Abyss overgenomen heeft. Het Patroon heeft die vorm toen vastgelegd. Nog een keer in de Abyss springen lijkt ze niet zo'n goed idee. In plaats daarvan beginnen ze wel aan de behande­ling.

Adrian wordt wakker in een kasteel. Een wildvreemde vrouw zit bezorgd naast hem. Ze beweert Emerald te zijn, zijn vrouw. Adrian herinnert zich eigenlijk niets meer, maar volgens zijn vrouw is hij van zijn paard gevallen. Toen hij niet was teruggekomen van zijn dagelijkse ritje hadden ze hem gezocht en op de grond gevonden. Emerald legt hem uit dat dit zijn kasteel is, ze al een paar jaar getrouwd zijn, en dat zijn broer Alexander hier vlak bij woont. Alleen het kasteel, zijn eigen naam en de naam Alexander doen bij Adrian een belletje rinkelen. En hij weet nu al dat hij Alexander niet mag. Ook de naam van zijn vader, Heer Corwin, klinkt bekend. Deze is verdwenen. Zelf is hij een graaf in het Keizerrijk, graaf Adrian d'Amberville.


Weer alleen inspecteert Adrian de kast. Hij treft er alleen mannenkleding aan. Het feit dat hij zo weinig weet stoort hem. Het geeft hem een onzeker en onveilig gevoel. Hij begint zich af te vragen of dit wel allemaal klopt. Het gezicht in de spiegel is gelukkig geen onbekende, dat is hij zelf. Dan komt er omzichtig een donkerharig dienstmeisje naar binnen.

Adrian is duidelijk verrast als hij van deze bezorgde jongedame een hartstochtelijke kus op zijn mond krijgt. Hij blijft wat afstandelijk, waarop de dienstmeid meteen wil weten wat die heks van een Emerald met hem gedaan heeft. Zou ze soms achter hun verhouding zijn gekomen? De dienstmeid blijkt Eliza te zijn, zijn eigen Eliza. Helaas zegt de naam Adrian eigenlijk niets, maar als hij haar kust voelt dat bepaald niet onaange­naam. Een verdere kennismaking moet tot de nacht wachten. Ze moet nu weg.

Adrian kleedt zich aan en kiest daarbij voor wit met zilver, die kleuren voelen gewoon goed aan. Het kasteel maakt verder op hem een wat donkere, vervallen indruk. Hier mag wel eens wat opgeknapt worden. Ook komt hij een oudere man tegen, Drake, zijn butler. De bibliotheek van het kasteel blijkt groot te zijn, maar ook wat stoffig. Hij leert er dat hij schatplichtig is aan keizer Oberon, nog zo'n bekende naam.

Buiten ronddwalend komt Adrian bij de keuken uit. Daar stuit hij op een bijzonder kille dame die wil weten wat meneer wenst. Een maaltijd in de keuken schijnt niet passend te zijn, en dus bestelt Adrian maar een lichte maaltijd in de eetzaal. Hij weet deze zaal nog te vinden ook.

's Nachts krijgt hij uiteraard Eliza weer op bezoek. Ze blijkt bijzonder onthullend gekleed te zijn, zonder daarmee Adrian's hoofd op hol te kunnen brengen. Eerst mag ze nog wat vertellen. Zo leert hij dat zijn familie het huwelijk met Emerald geregeld had, hij houdt volgens Eliza echter niet van Emerald. En dat kille mens in de keuken was Mrs. Gilmour, die is tegenover ieder­een zo kil. Adrian laat Eliza verder wat leuke dingetjes met zijn lichaam doen en slaapt daarna in.

Als hij wakker wordt is het nog nacht. Hij ligt alleen en moet van iets zijn wakker geworden. Uiteraard gaat hij op onderzoek. Voor het raam zit een witte kat, buiten hoort hij wolven huilen. Adrian herinnert zich dan weer dat hij gedroomd heeft. Hij droomde van een wit hert dat achter­volgd werd door wolven. Adrian voelde zich persoonlijk bij de droom betrokken. Ook had hij bij het wakker worden best wel een opgejaagd gevoel. Iets in de sfeer hier doet hem huiveren. Wat nadenkend aait hij de kat en vraagt het of het niet weet wat hier aan de hand was. De kat antwoordt slechts met een kopje.

Boadice steekt haar eigen troefkaart bij zich en test even hoe beïnvloedbaar de Hoven zijn. Te beïnvloedbaar blijkt. Er zijn zoveel andere invloe­den dat alles wat je doet bijna meteen weer door andere invloeden veranderd en ongedaan gemaakt wordt. Het lijkt wel water. Verder beseft Boadice dat dit niet gewoon een schaduw is, het heeft een eigen realiteit.


De rest van de avond zorgt Boadice ervoor nuchter te blijven. Als de kleur van de lucht middernacht suggereert laat ze Frewar weten terug naar haar kamer te willen. Als een echte heer is hij haar daarin behulpzaam. Met een koetsje vertrekken ze van het landgoed. De route voert door een grote poort, waarna de omgeving wat meer stads wordt. Boadice ziet hele dure huizen, en ook de kathedraal. Het koetsje slaat op een gegeven moment links af en rijdt naar het paleis. Terwijl Frewar haar naar haar kamer leidt neemt Boadice de route goed in zich op. Ze doet zich ook heel geïnteresseerd voor. Helaas strekt die interesse zich niet uit tot een verlengde aanwezigheid van Frewar en na een afspraak te hebben gemaakt voor 10 uur in de volgende ochtend vertrekt Frewar, een tikkeltje teleurge­steld maar teveel een heer om dat openlijk te laten blijken. Boadice wacht nog even en vertrekt dan ook, richting kathedraal. De kathedraal blijkt enorm groot te zijn. Het altaar is tegen de Abyss aangebouwd. Binnen zit er maar 1 figuur in de bankjes. Boadice gaar er even voor zitten. De dame blijkt blij te zijn dat Boadice gekomen is en vraagt of ze gevolgd werd. Boadice is zich daar niet van bewust geweest maar kan zich wel voor de kop slaan dat ze er niet expliciet op gelet heeft. Volgens Trisha hebben alle gasten een escorte van Merlin. Ze vertelt een boodschap van Gran voor haar te hebben, hoewel het eigenlijk wat ingewikkelder zit. Boadice weet niet precies wanneer ze hem voor het laatst gezien heeft, de tijdrekening is nogal ingewikkeld in de Schadu­wen. Trisha vertelt dan dat Gran onder de vorige koning uit de Hoven verbannen was, een verban­ning die onder Merlin weer ongedaan gemaakt is. Hun huwelijk werd toen ook ontbonden. Het was namelijk een politiek huwelijk, en haar vader vond deze niet langer meer opportuun. Ruzie had ze echter niet. Ze heeft hem daarna nog één keer gezien, maar hij kon toen maar erg kort blijven. Ze hoorde toen dat iemand uit de Hoven Gran probeerde te vermoorden. Hij was er erg vaag over, maar zocht de hulp van een Amberiet. Trisha hoorde van hem over zijn ontmoeting met Boadice. Boadice had toen nog geen connecties met Amber en Gran twijfelde dan ook. Hij wilde haar er eigenlijk niet in betrekken maar had wel dringend de hulp van haar vader nodig. Trisha vraagt Boadice nu of ze die misschien wil bena­deren. Helaas weet Boadice niet wie dat is. Trisha is verbaasd, Gran heeft haar echter geen naam gegeven. Wel heeft ze een schilderij waar hij op zou moeten staan. Het schilderij is te groot om mee te nemen, en ze wist eerst ook helemaal niet dat hij erop stond. Boadice mag hem wel zien, maar dat moet wel omzichtig gebeuren, Gran vermoedde namelijk dat het mede haar familie was die het op zijn leven voorzien had. Boadice vraagt nog even naar de familienamen en leert dat Gran een Escallwyn, de broer van Frewar. Zelf behoort Trisha tot de familie Chatin.

Verder spreken kunnen ze niet. Er beginnen allerlei gedaantes in de kathedraal te verschijnen. De twee dames spreken af afzonderlijk te vertrek­ken, Trisha eerst. Maar nog voor Trisha verdwe­nen is wordt Boadice door een vliegend demo­nisch wezen opgepikt. Gezien het geknal en geboem recht onder haar geen moment te vroeg. Een seconde later en ze was dood geweest.

Boadice laat zich naar het balkon van haar kamer brengen en voorkomt dat het beest er meteen weer vandoor gaat. Eerst wat antwoorden. Het beest is haar zo behulpzaam als het maar kan, wat helaas niet erg is. Zijn opdrachtgever is de meester, iemand met het uiterlijk van de mens. De meester heeft hem de opdracht gegeven 'Bewaak'. Het beest heeft echter geen tijdsbesef en kan dan ook niet aangeven wanneer het die opdracht gekregen heeft. Boadice probeert vervol­gens met een psychic link er wat meer info uit te halen. Ze leert dat het wezen door een kracht van buitenaf bestuurd wordt. De kracht staat toe dat zij op deze manier naar informatie vist, maar stelt daarbij wel een duidelijke grens. Het is Boadice duidelijk dat de bestuurder over een flinke psyche moet beschikken. Als ze hem verder probeert te visualiseren ziet ze een bordje 'Verboden toe­gang' Boadice geeft een boodschap door dat ze rechtstreeks contact prefereert. Als antwoord krijgt ze een schoolbord met 'Sorry hoor, dat kan op dit moment niet.' Vervolgens verschijnt er de tekst op 'Zoek Gran als je meer wilt weten.' Boadice vraagt waar ze met haar zoektocht moet beginnen en krijgt als antwoord: 'Als ik dat wist had ik jou niet nodig.' Het schoolbord sluit af met de boodschap: 'Tot ziens, dochter.'

 

Alexander en Yaslin wachten een dag en gaan dan weer eens kijken, dit keer is de Fire Angel weg. Achter de poort liggen een soort druip­steengrotten. Shiften werkt hier nog steeds niet. Ze vinden hier ook nog wel eens andere lieden. Het probleem wordt gevormd door een heel diepe en 30 meter brede kloof die de grotten doorsnij­den. Zorgvuldig zoeken levert een soort paadje op dat de kloof in lijkt te lopen. Vandaar is het een kleine stap naar het vinden van het onzichtbare pad dat over de kloof heen loopt. Het pad is 80cm breed en heeft als extra complicatie een spiegelbeeld wat van de andere kant komt. Het spiegelbeeld is massief, maar wel een fractie langzamer dan het origineel, Alexander in dit geval. Alexander gaat dus heel wankel staan, duwt dan razendsnel zijn ook wankel staand spiegelbeeld om en maakt van de gelegenheid gebruik om snel een stap over het midden te zette. Het spiegelbeeld verdwijnt prompt.


Yaslin volgt Alexander's voorbeeld en geza­menlijk vinden ze de volgende poort. Dit keer komen ze uit op een heel groot schaakbord. Beiden vormen daar een stuk, Alexander is de witte koning, Yaslin de witte koningin. Ze kunnen niet met elkaar communiceren. Alexander speelt tegen een tegenstander van gelijkwaardig niveau. Een tegenstander die hem in een bepaald patroon begint te dwingen. Hij slaagt er echter toch in zijn stukken te ontwikkelen en vervolgens het pion­nencentrum van de tegenstander op te ruimen. De tegenstander is ondertussen druk bezig met Alexander's eigen dekking. Alexander zet zijn aanval door en komt voor de keuze te staan, Yaslin opofferen en zo winnen, of haar sparen en remise krijgen. Alexander kiest voor de winst en offert haar. Op het moment dat hij de zwarte koning schaakmat zet vindt hij zichzelf in iets wat op de eerste afdeling lijkt maar het niet is. Er lopen hier meerdere personen rond, waaronder de Grote Dworkin. Deze komt meteen op Alexander af en verlangt dat Alexander hem eer bewijst. Alexander gaat op de knieën, de Grote Dworkin wrijft het er nog even in, en laat hem dan met rust. Alexander verkent de omgeving hier verder. De lui hier zijn duidelijk de meest gore in deze gevangenis. Op de plaats waar hij op grond van ruimte 1 de deur zou verwachten, treft hij er ook eentje. Een deur die hem weer terug in ruimte 1 brengt. Alleen komt hij als hij er weer door terug gaat niet meer in de Escher ruimte uit, maar meteen weer bij de Grote Dworkin. Het is zonne­klaar dat deze daar ook de lakens uitdeelt. Alexan­der zoekt verder in die ruimte, er moet nog wat meer zijn. Hij concentreert zich daarbij op de plekken die verschillen van ruimte 1. Ook bezoekt hij trouw Dworkin's preken. Zo leert hij dat Dworkin vindt dat iedereen moet boeten. Alleen dan kun je in het paradijs komen, Amber. Dwor­kin bepaalt wie er naar toe mogen, hij is namelijk de Geliefde van de eenhoorn. Hij is Almachtig. Dworkin verdwijnt dan altijd met een poef en Alexander's zorgvuldige observatie geeft hem het vermoeden dat dat met een soort troefkracht gebeurt. Alleen komt Dworkin steeds weer na een poosje terug.

 

                                                                       Maurice