Amber Campaign Log,     Sessie 41,  2-06-95

 

Adrian en Boadice gaan met opgeroepen Patroon de kathedraal in. Hun schilden worden tot het uiterste getest, ze krijgen het heel warm van alle Power die door hen loopt. Heel onprettig allemaal. Afzonderlijk dwalen ze door de kathedraal en komen ze uiteindelijk allebei bij het altaar uit. De Abyss die daarachter ligt blijkt plotseling een heel stuk kleiner te zijn geworden. Boadice gaat op haar gevoel af, waar voelt ze zich het meest beroerd, daar schuin achter het altaar dus. Samen met Adrian gaat ze erop af. De kathedraal blijkt daar voor een stuk ingestort te zijn. Met brandende vingertopjes ruimen ze puin. Het is maar goed dat iemand hen al voorgegaan blijkt te zijn, dat ruimt heel wat makkelijker.

 

Achter het puin loopt een gang met een trap naar beneden. Het brandt hier niet, en Boadice en Adrian koelen eindelijk weer een beetje af. Al hun haren zijn geschroeid, ze hebben een flinke zon­nebrand, en alle lichaamsuitsteeksels vertonen tekenen van tweedegraads brandwonden.

 

De gang wordt op een gegeven moment wat grottiger, en het tweetal begint nu een ander soort Logrusbelasting op het Patroon te voelen. Het wordt weer warmer, veel warmer. Boadice laat als eerste haar Patroon vallen. Het voelt meteen een stuk beter, behalve het normale, misselijkmakende gevoel van de Logrus dan. Adrian laat het Patroon ook maar vallen.

 

Terwijl het nu weer veel kouder wordt, ijzig koud zelfs, komt het tweetal uit in een grote grot met onder hen een structuur van een gigantisch 3D doolhof van blauwe energiemuren. Ze beseffen beiden dat dit niet hoort, dat dit zou moeten bewegen. Achter hen staat een giechelende oude vent met een kaarsje in zijn hand, Suhuy. Hij lacht duidelijk krankzinnig, vraagt wie ze zijn, maar blijkt Adrian en Murlas compleet vergeten te zijn. Niet dat dat uitmaakt, Boadice en Adrian zijn ook zo welkom op zijn feestje. Adrian krijgt een blauw ballonnetje, Boadice een roze. Er zijn nog meer mensen op zijn feestje, nog twee jongetjes en een meisje om precies te zijn. Ze zijn in de Logrus want daar woont Suhuy tenslotte.

 

Boadice en Adrian gaan naar binnen. Het effect is minder dan normaal, fixed Logrus. Je kunt het eigenlijk nog het beste vergelijken met een Broken Pattern, je kunt het gebruiken maar er zit een gevaar in.

 

Voor Adrian is de ervaring minder hevig dan toen bij zijn sprong in de Abyss. Hij verandert wel een aantal keer van vorm maar houdt het redelijk onder controle. Er zitten ook nieuwe vormen bij. De Logrus zelf is heel passief, dit in integen­stelling tot de Patronen die juist heel actief waren. Adrian beseft dat hij maar een schijn ervaart van de normale kracht van de Logrus.

 

Boadice wordt eerst nog even tot overgevens toe misselijk, maar gaat dan ook op weg. Ze is Adrian zo uit het oog verloren. Verder heeft ze geen shapeshifting, terwijl ze het eigenlijk wel nodig heeft. Zo is er bijvoorbeeld een gebied zon­der lucht. Boadice raakt zover in trance dat weet dat ze verder is gekomen, maar niet meer weet hoe.

 

Op een gegeven moment realiseren zowel Boadice als Adrian zich dat ze er zijn. De kleren van Boadice zijn helemaal kapot, wat wil je als je er in je chaos-vorm uitkomt [huiswerk]. Hoe ze straks weer in haar menselijke vorm kan komen is een ander verhaal.

 

Het tweetal ziet een vorm van verschillende stukken Power waarin Merlin hangt, zo te zien redelijk dood.  Bleys en Delwin zijn er ook, en Dara zit op de grond met een ballonnetje in haar hand, malende. Merlin heeft een wond in zijn nek. Het is duidelijk dat zijn bloed dit veroorzaakt heeft, en dankzij Merlin's relatie met het Patroon is het allemaal nog wat destructiever geworden ook.

 

Boadice ziet een metalen bolletje in Merlin's hand. Ze pakt het, het vliegt echter uit haar han­den, zoemt om haar hoofd, sneller, sneller, sneller en verdwijnt dan omhoog.

 

Alexander is in de Nexus gang met Etienne (klein, kan goed sluipen), Giselle (kennis van de heraldiek), MichŠl (kent de centrale Schadu­wen), Michelle (tweelingzus van MichŠl, kan goed rennen) en Thierry (hele goede ogen).

 

Thierry loopt voorop, met Alexander in tweede positie. De wanden zijn minder fel dan ze eigenlijk horen te zijn. Her en der zitten er zelfs gaten in het netwerk. De tunnel lijkt ook steeds donkerder te worden.  Dan voelen ze tocht, en Thierry hoort iets, gemurmel. De tunnel wordt weer feller. Het beweegt naar hen toe, samen met het geluid. Al snel zien ze dat het een soort blauwe mist is, waaruit het gemurmel komt. Alexander wil de rest achter laten en er in gaan. Vlak voordat hij het doet roept hij de Nexus op. Prompt voelt hij het gevaar. Dit heeft de Nexus zelf niet meer onder controle. Het gemurmel zijn allemaal stemmen door elkaar. De groep vlucht terug de gang in, maar de mist versnelt, loopt op ze in. Net voor het einde van de tunnel worden ze ingehaald. De stemmen maken hen compleet gek. Ook krijgen ze een complete psychische overval over zich heen. Alexander hoort en voelt hoe de Hendrakes ook in de mist terecht komen, er iets met ze gebeurt en dat dat niet goed is. Zelf is hij te laat met het oproepen van het Patroon van Dworkin. Dolge­draaid dus.

 

Dorian is op weg naar het dertiende eiland. Het waait steeds harder en harder en de lucht wordt ook steeds kouder en ijler. De mohai heeft het zwaar, heel zwaar. Toch komt het eiland in zicht, helemaal wittig. De mohai denkt nog even dat dat niet hoort, maar Dorian stelt het beest gerust. En dus vliegt de mohai door naar een bepaalde plek om daar vervolgens een desastreuze landing in te zetten. Dorian ziet de bui al hangen, waarschuwt Venzai en sprint van het beest af. Venzai reageert verbaasd maar springt dan toch maar Dorian achterna. Dat Dorian wel goed terecht komt en Venzai niet moge duidelijk zijn. Hij heeft een hoofdwond, buiten bewustzijn, en er niet zo best aan toe. In de buurt is geen beschut­ting te bekennen, het is koud. Alleen boven heeft Dorian even een glimps van een gebouw gezien. Daar komen is lastig, maar waar een wil is, is een weg. Over het lot van de mohai maakt hij zich verder niet druk.

 

Het gebouw blijkt wit en koepelvormig te zijn, met eromheen torentjes en aangebouwde stukken. Het ziet er elegant uit. Dorian gaat met Venzai naar binnen. Het gebouw is niet verwarmd. Via een hal en een dubbele deur belandt het twee­tal in een grote, ronde zaal. In het midden staat een witte bol op een sokkel. Aan de wanden staan in een cirkelvorm acht glazen sarcofagen opge­steld. Elke sarcofaag bevat een mensachtig wezen. Venzai heeft het niet alleen heel koud, ook heeft hij nog zijn enkel gebroken. Toch is deze ruimte voldoende om hem al zijn ellende te doen verge­ten. Hij begint meteen te bidden. Dorian wil wel weten waarom. 'Dit zijn de acht heiligen. Dit is waarlijk het dertiende eiland!" "Mooi, en waar kunnen we dat zwaard vinden?" Maar dat weet Venzai ook niet. "Doen die acht heiligen ook nog iets?" "Zijn in ruste. Zijn op de een of andere manier verbonden met het zwaard. Dat zegt het boek, zij zijn de Wakers."

 

Fiona wordt ingelicht en begint te zoeken. Al snel heeft ze de controle van de deuren onder de knie. Ook de verwarming wordt aangezet. En bzzt, daar schuift het plafond weg. Dorian kijkt nu tegen de koepel aan, en kijk, daar hangt het zwaard. Helaas heeft Fiona op dit niveau niet meer knopjes. Ze kan niet bij het zwaard, het zit in een afgesloten, beveiligde file. Ook Dorian kan het zwaard niet raken met een steentje of zo, er zit een barriŠre omheen. Als hij zich er met Psyche op concentreert detecteert Fiona dat als een inlogpo­ging. Volgens haar is er iets met de bolpilaar, die zou iets moeten doen maar doet dat op dit moment niet. Het is deel van het systeem. Fiona vermoedt dat de acht de codes hebben die Dorian nodig heeft, de bol hoort waarschijnlijk bij het systeem om ze wakker te krijgen. Met het nodige denkwerk komen ze uiteindelijk op de hypothese dat zonlicht van boven op de bol wel eens kan helpen. Hm, alleen is er dus geen zonlicht. Dan maar een simulatie. Zoiets is Fiona wel toevertrouwd. Ze schuift het plafond dicht en laat het in de fik vlie­gen. Dat geeft inderdaad veel licht, genoeg om de bol te laten resoneren. Er schieten acht stralen van de bol naar de sarcofagen, er is wat gezoem, en dan springen de sacrofagen open. Het dak schuift ook weer open, zo het vuur dat Fiona gecre‰erd had, dovend.

 

De sarcofagen zijn in stelletjes ingedeeld, telkens een man en een vrouw. Geen van de acht geeft een teken van leven. Op zich niet zo vreemd, eentje blijkt er nog niet helemaal dood te zijn, de rest al wel. Dorian weet de achtste bij kennis te brengen. Hij is erg verzwakt. Venzai houdt ver­volgens een heel verhaal tegen de meester over de hulp die ze nodig hebben.

 

Volgens de Waker horen de stormen hier niet. Het zwaard is volgens hem het symbool van deze wereld, het heeft echter geen speciale mach­ten. Hij laat het zwaard wel zakken. Het lemmet blijkt van kristal en het handvat is wit. Dorian vraagt en krijgt het zwaard. Hij moet van de Waker echter wel beseffen dat hij het lot van de wereld in zijn handen draagt. "Mooi," zegt Fiona: "dan kunnen we vertrekken." En dat doen ze dus, voor de verbouwereerde ogen van Venzai: "NEEEEEE......"

 

Murlas ziet een groepje van zeven mensen aan­komen, zijn vier slachtoffers en drie gevangenen. Het blijkt om twee vrouwen en een man te gaan. Een vierde gevangene is onderweg neergeschoten.

Campaign Log      Amber

 

De groep blijft bij elkaar, ook 's nachts, uit veiligheidsoverwegingen. De vrouwen zijn in de dertig en in de veertig. De man is ook rond de veertig. Ze zien er verwaarloosd en mager uit. De jongste heeft nog wat machteloze woede in haar blik, de andere twee zijn totaal afgestompt. Murlas moet 'als jongste' het eten klaarmaken. Jack stopt zich goed voel, en begint dan maar eens aan het dessert, de jongste. Klaargekomen lust hij nog wel een tweede portie, de oudste. Frank mag onder­tussen de jongste gezelschap houden. Harold houdt de man in het oog, en Wil is zich al aan het opwarmen, hij mag zo. Tijd voor Murlas om in te grijpen. Harold met een klap op zijn kop bewuste­loos slaan blijkt geen probleem. Alleen heeft Wil het gezien. Met een buikschot blijkt deze echter niet uitgeschakeld. Wil schiet terug en raakt Mur­las ook in de buik. Murlas schiet hem kapot. Frank wordt vervolgens met een hoofdschot uitgescha­keld. Jack rolt helaas net op tijd weg, in plaats van Jack krijgt nu zijn slachtoffer een schot door het hoofd. Murlas' volgende schot is raak, maar schakelt Jack niet uit. Murlas wordt ondertussen ook nog aangevallen door de gevangen vent. Gelukkig maakt een enkel schot daar een einde aan. Harold kan verder mooi dienen als dekking tegen Jack. Toch heeft Murlas nog een probleem­pje. Hij is flink gewond, en het gegil van de jongste gevangene (en het waren niet eens haar eigen hersenen die uit elkaar spatten) maakt dat hij Jack niet kan horen. De lamp is uitgeschoten, zien doet hij Jack dus ook niet. Murlas besluit snel te handelen. Hij verandert zich in een panter, springt Jack naar de keel, worstelt even, en heeft dan wat warm bloed om zijn dorst te lessen. Terug naar zijn Murlasvorm slaat hij de hysterische vrouw bewusteloos, bindt hij haar vast en checkt hij dat de rest dood/stervende is. De kogel snijdt hij vervolgens uit zijn wond, au dus, en daarna mag het lichaam de genezing overnemen. Murlas verliest het bewustzijn.

 

Murlas komt verzwakt bij. Zijn wond is dicht. De vrouw leeft nog maar verkeert in shock. Murlas kalmeert haar en leert dat er meerdere bendes in de buurt zitten. Hun exacte locatie is vaak niet zo duidelijk. Ook zitten er nog andere combinaties van mensen. Zelf waren ze op weg naar zo'n meer vreedzame commune. De put die Murlas zoekt kent ze niet. De vrouw heet Mary en kent de weg naar de commune. Murlas eigent zich een jas toe en besluit haar wel even te brengen.

 

Het stelletje reist voorzichtig. De sfeer wordt voor zover dat mogelijk is nog drukkender. Wat hier nog zit is erger, beestachtiger. Dan komen ze bij het gebied van de commune. Het verschil mer­ken ze onmiddellijk. Het gebied is schoner, opgeruimd. Ze worden al snel omringt daar zes mannen. De mensen hier zijn heel kalm. Via een paar straten worden Murlas en Mary naar een flat geleid die nog een beetje overeind staat. Een soort keuken. Ze krijgen daar te eten. Het valt op dat de mensen hier heel stil zijn. Het eten is trouwens goed, Murlas voelt zich daarna een stuk rustiger. Hij beseft ook dat hij eigenlijk nog nooit echt gelukkig is geweest, dat alles wat hij deed zo zin­loos is geweest.

 

Na het eten mag het tweetal op bezoek bij Vader. Dit blijkt een redelijk charismatische man te zijn. Hij glimlacht en heet ze welkom. Het doet hem deugd dat Murlas en Mary zich bij de com­mune aan willen sluiten, hier gelukkig willen zijn. Vader legt uit dat ze hier een taakverdeling heb­ben. De buitenwereld is best gevaarlijk, vandaar dat de bewakers daar wapens hebben. Binnen de commune zijn wapens verder uit den boze. De rolverdeling is heel streng. Als er iets is kun je altijd bij Vader terecht. Murlas geeft toe dat hij tot nu toe niet gelukkig is geweest, veel strijd heeft gevoerd. Ook heeft hij gestudeerd zonder dat dat hem gelukkig maakte. Vandaar dat meer contact met de natuur wel wat voor Murlas lijkt. Ze heb­ben toch net een plantage aangelegd.

 

Het handarbeid op de plantage bevalt Murlas goed. Vader maakt geen misbruik van zijn positie. Er heerst een duidelijke arbeidsethos. De mensen zijn ook aardig, Murlas hoort er echt bij. Alleen jammer van die nachtmerries.

 

Maurice