Amber Campaign Log,     Sessie 43,        28 juli 1995

 

Murlas gaat bij Vader langs en vertelt hem dat hij weg wil. Vader werpt tegen dat dat niet hoeft, dat ze hem kunnen beschermen, maar vol­gens Murlas kunnen ze niet op tegen 'hen'. Hij beweert zelfs de gemeenschap niet op het spel te willen zetten, neemt afscheid van zijn nieuwe vrienden, blijft altijd welkom  en vertrekt.

 

Het puin in de Schaduw is ouder geworden, de criminelen ervarener. Alleen de meest gore exemplaren zijn nog actief. En voor zover er nog andere plekken met menselijke bewoning zijn, zijn ze wel wijzer dan Murlas binnen te laten.

 

Tegen de avond voelt Murlas een aanwezig­heid achter zich, een oud, vriendelijk dametje. Volgens eigen zeggen is ze zijn overgrootmoeder. Ze vertelt Murlas over de feestverlichting van de kathedraal van Chaos, een burgeroorlog waarvoor de Hoven niemand anders nodig hadden. Ook de moederliefde van Dara, ze verloste Merlin uit zijn 'lijden', blijft niet onvermeld. Uiteraard komt Ornach ook ter sprake. Groetmoe vindt het best wel erg dat hij al zo lang aan dat rotsje heeft vastgezeten. Murlas is wel nieuwsgierig hoe de familierelatie met zijn opa precies zit maar dat is volgens groetmoe allemaal heel klinisch en zonder toestemming gegaan. Het lijkt haar het beste als Ornach koning van Chaos gaat worden, dat is veruit het makkelijkste. Met een beetje pech gaat hij echter achter Dworkin aan. Murlas hoort waarom Amber zo gevoelig bij Ornach ligt, maar volgens groetmoe is Ornach verder een goede jongen. Goed, hij heeft af en toe last van buien en is soms depressief, maar Murlas moet maar eens met hem gaan praten. Hij is voor zover zij weet zijn enige kleinkind, daar zou hij toch gevoelig voor moeten zijn.

 

Groetmoe vertelt Murlas ook dat de plek waar hij zit een gevangenis is voor haar jongste klein­kind. Deze had het altijd al moeilijk en werd als jongste niet serieus genomen. De mensen waren bang van hem. Maar ook hij valt volgens groot­moe best mee. De put waar Murlas ingevallen is blijkt niet in deze realiteit te liggen. Hij kwam daarin terecht voordat hij hier terecht kwam. Murlas blijkt hier alleen geestelijk te zijn. Het lijkt grootmoe verder het eenvoudigste als hij Samal mee terugneemt. Dan komen ze er tenminste samen uit. Ter afscheid wijst ze Murlas nog even naar de juiste weg, een verhoging in het midden van de stad.

 

De volgende dag gaat Murlas eens op zoek naar zijn gevangen zittend familielid. Hij ontdekt al spoedig dat de ru‹nes bij dat verhoogde stuk stad een labyrint vormen en is de rest van de dag zoet met het vinden van het midden. De hele plek is verder verlaten, onaangename ontmoetingen blij­ven Murlas zowaar bespaard.

 

Tegen de avond is Murlas eindelijk op het plein in het midden, en ja hoor, daar is de pilaar met ketting. Alleen lijkt de pilaar hier meer op een wit beslagen glazen zuil. De ketting is zo verweerd dat zelfs Murlas die nog wel kapot krijgt. Prompt wordt de zuil langzaam doorzichtig en ziet Murlas dat er zich in menselijke vorm in de zuil bevindt. Het wezen ontwaakt langzaam. Murlas wacht wel even tot het wezen geheel bij kennis is en voelt dat het om iemand met een heel krachtige geest gaat. Als Murlas laat weten dat hij eigenlijk wel een bevrijding in gedachten had, juicht de geest dat slechts toe. En dus slaat Murlas het glas kapot. Uit de zuil stapt vervolgens een vriendelijk glimla­chende jongeman...

 

Dorian is in de woestijn en ziet geen aanwijzin­gen. Dan maar een willekeurige kant opgelopen. Fiona mompelt iets over een ravage en allemaal kapotte files, alsof er een virus heeft rondgewaard. Ze weet echter wel te detecteren dat Dorian de verkeerde kant opgaat. En inderdaad, de andere kant op stuit Dorian uiteindelijk op een oase. Nou ja, oase. Het is een wat groot woord voor anderhalve palmboom en een modderplas. Het water beslaat volgens Fiona nog maar een paar bytes, net genoeg om de mond mee te bevochtigen. Gelukkig treft hij een heel eind ver­der een heel wat grotere oase. Deze is tot ver in de omtrek omgeven met tenten. De wezens die erbij horen zijn mensachtig, maar langer en magerder. Het heeft veel weg van een vluchtelingenkamp, de wezens zijn er in ieder geval apathisch genoeg voor. De bron wordt gevoed door een fontein, een fontein waarbij het water uit een kelk blijkt te komen. Dorian drinkt even wat en bedenkt zich dan dat de massamoord hier wel heel gemakkelijk is. Verdacht. De kelk blijkt echter echt te zijn, en er zijn hier veel wezens, inclusief dat zielige, weerloze meisje van vijf jaar wat nu naast hem zit. Op zo'n doorgewinterde Amberiet als Dorian maakt dat uiteraard geen indruk. Hij gaat het water in, de bevolking schrikt wakker, probeert hem nog wanhopig te stoppen, maar het is te laat. Dorian grijpt de kelk, en hoewel Fiona om het spannend te maken nog wat moeite heeft om hem er weg te halen, vertrekken ze toch nog net bij­tijds.

 

Dorian komt uit in een grote, achthoekige ruimte in wit en zwart. De ruimte komt hem bekend voor, alleen moeten de schoonmakers dan wel ondertussen zijn langs geweest. Volgens Fiona moet hij nu de codewoorden invoeren om de deur te openen, maar waar de deur is  en wat de code­woorden zijn weet ze ook niet. 'Probeer maar wat.' Dat blijk je dus beter niet tegen Dorian te kunnen zeggen. Hij legt het zwaard richting wit, de staf rechts, het medaillon achter, de kelk links, en de deur gaat open. Belachelijk gewoon. Het enige wat het nog een beetje goed maakt is dat de deur in de vloer zat en Dorian dus prompt langs de trap naar beneden dondert. Het is donker, maar Fiona doet een 'exe' en zie, er is licht. Dorian bevindt zich nu in een gigantisch grote ruimte, vol met glazen bakken vol lichaamsdelen en lichamen op een soort sterk water. Er tussendoor staan werkbanken, boekenkasten, chemicali‰n en mechanische spul­len.

 

Dorian begint met het zoeken van Fiona's lichaam. Uiteraard ligt het in een van de laatste bakken, maar gelukkig is het nog wel intact. Ach, en nou heeft hij Fiona ook eens in haar blootje gezien. Fiona voelt er echter niet zoveel voor om als proefkonijn te dienen en raadt Dorian aan om eerst Taureth te vinden. Zonder hem kunnen ze er toch niet uit en bovendien kan ze vanuit haar huidige locatie misschien nog wat helpen. Aan­gezien ze allebei niet weten hoe Taureth eruit ziet, probeert Dorian het via psychisch contact. Bij de hele lichamen blijkt hij niet te zitten. Dan maar de hoofden. Ja, dat hoofd van onbestemde leeftijd, met dat donkere, wat langere haar, die vrij don­kere, intensieve ogen, die baard en die snor, dat is hem. Het hoofd heeft wat depressiefs over zich heen. Dorian kan de indruk van het hoofd vervol­gens gebruiken om de andere 19 delen van het lichaam te vinden.

 

Taureth is gevonden, alleen is hij nog in bouwdoos vorm. Het is maar goed dat Dorian hier genoeg boeken en oefenmateriaal heeft om te leren hoe je zoiets weer in elkaar steekt. De montage van het hoofd blijkt het moeilijkste deel te zijn. Eenmaal in elkaar moet zo'n lichaam dan in een bak met speciaal vloeistof, alwaar via elektriciteit de levensvonk wordt overgegeven. Dorian aarzelt er wel even over, maar besluit dan toch maar om ook dat eerst even op een proefkonijn uit te probe­ren. Hij neemt daarvoor het lichaam van een oudere vrouw. Haar hart begint inderdaad te kloppen, haar lichaam schiet omhoog, maar dan begint ze toch te gillen. Dorian spuit haar maar even plat, constateert dat ze lichamelijk wel in orde is, en besluit haar dan maar platgespoten te houden. Hopelijk is Taureth geestelijk sterker. Taureth die er bij het in elkaar zetten trouwens echt als het monster van Frankenstein uit komt te zien. Ook merkt Dorian dat delen van shapeshif­ters makkelijker in elkaar te zetten zijn, de delen werken namelijk mee. Maar het lichaam wordt dus in elkaar gezet, de levensvonk toegediend, en dit keer geen geschreeuw. Nee, Taureth doet gewoon zijn ogen open, kijkt Dorian aan, komt rustig overeind en zegt dan iets wat met een beetje goede wil als 'dank je' uitgelegd kan worden.

 

Taureth blijkt zich normaal gesproken zelf niet met het in elkaar naaien van lichamen bezig te houden, hij weet er wel veel vanaf. Fiona krijgt ook een levensvonkje en daarna neemt Taureth ze bij zijn vertrek wel mee.

 

Dorian wordt wakker in zijn pocketschaduw en Fiona ontwaakt daar ook in haar eigen lichaam. Taureth en de oude vrouw complementeren het gezelschap. Dorian merkt meteen dat het hier KOUD is. Het lichaam van Fiona heeft hier verder duidelijk al een tijd gelegen, haar haar is een stuk langer. De oude vrouw wordt door Taureth ge‹­dentificeerd als een bediende van hem. Een bediende die er mentaal niet zo goed uitgekomen is.

 

Bleys en Adrian komen Gran tegen. Deze ver­laat net ziedend de kathedraal, schreeuwt: "PRAAT MET HAAR!!!", gooit zijn handen wanhopig in de lucht en vertrekt. Tenminste, dat wil hij. Niemand verlaat echter zonder toestem­ming de koning van Sherwyn en deze wil eerst wat uitleg. Gran vertelt dan maar dat Boadice hem heeft laten zitten voor een of andere oude vent. Die oude vent komt trouwens prompt zelf uit de kathedraal lopen. Boadice had nog wel iets over het naakte lichaam van Merlin willen gooien, maar er is helaas niets voorradig. Ornach heeft er ook het geduld niet voor, hij vindt het hier een puinzooi, hoog tijd dat iemand er eens iets aan doet. Eerst mag hij zich echter om Bleys bekom­meren. Als deze namelijk verneemt dat Boadice aan Ornach vast zit stormt hij er met zijn zwaard op af, een jammerende Boadice achteloos opzij schuivend. Adrian raadt hem de handelswijze ook af, maar is daarin een heel stuk minder fanatiek. Campaign Log Amber

Verder mag Ornach dan wel geen zwaard hebben, binnen de kortste keren ligt die van Bleys ook op de grond, twee aan elkaar gewaagde tegenstanders dus. Boadice probeert Bleys met wat info van een voortzetting van het gevecht af te houden, maar Bleys negeert haar. Tussen de twee kemphanen in gaan staan houdt Boadice na een rake trap ook wel voor gezien, maar wat dan? Adrian! Deze heeft weliswaar zijn zwaard getrokken, erg actief is hij er niet mee. Boadice roept vertwijfeld: "Adrian, doe wat!", maar dat is deze nu net niet van plan. Dat Boadice een eed heeft gezworen is haar pro­bleem, niet het zijne. Ook wil Adrian zich zelf niet boven Bleys stellen. Boadice is er niet van onder de indruk en smeekt slechts: "Help me!" Adrian wil echter eerst wel eens weten waarom hij zijn leven voor haar in de waagschaal zou moeten zet­ten, en dat terwijl het leven van Boadice nog niet eens direct gevaar loopt.

 

Bleys wil niet luisteren, Adrian niet helpen, wie dan? Delwin? Deze blijkt al weg te zijn. Vol­gens Adrian is alleen haar ex-vriendje hier langs geweest. Hij krijgt prompt weer een smeekbede om aan Gran uit te leggen dat het allemaal niet zo zit. Dan is het gesprek ten einde want Bleys heeft een uitval gedaan om zijn zwaard te pakken. Het einde van het liedje is dat hij in dezelfde houding belandt als Boadice bij haar eerste ontmoeting met Ornach. Adrian vindt het nu wel genoeg, steekt zijn zwaard weer terug en stelt voor alles rustig te bespreken. Ornach wil eerst wel eens weten wie dat jochie is. Adrian van Sherwyn dus. Boadice legt hem uit dat Adrian niet van Amber is maar van een van de andere twee nieuwe Powers, te weten die van het nieuwe Patroon. Ornach vraagt smalend of Dworkin aan eentje dan niet genoeg had. Maar als hij hoort dat dat Patroon niet Dworkin's maaksel is, vindt hij het toch wel inte­ressant. Bleys hoeft alleen maar te beloven dat hij zich koest zal houden en Ornach niet voor de voe­ten loopt, hetgeen hij maar doet. Ornach zegt hem toe zijn dochter wel terug te geven als hij met haar klaar is.

 

Adrian is wel nieuwsgierig wie Ornach nu precies is, maar dat moet zijn secretaresse maar uitleggen. Boadice komt niet veel verder dan dat Ornach heel oud is en iets tegen Dworkin heeft. Dat Boadice niet meer weet vindt Ornach duidelijk niet zijn probleem. Als Boadice opmerkt dat er duizenden jaren voorbij moeten zijn gegaan vindt hij dat slechts aanleiding om eens in wat archieven te gaan pluizen. Merlin's lichaam is daarbij een mooi onderhandelsobject. Boadice krijgt verder de ware toedracht van de diefstal van het Juweel uit­eindelijk wel te horen, je weet wel, die met Dworkin in de rol van verradelijk hulpje. Ornach's kinderen hebben daarna als rechtgeschapen kin­deren nog geprobeerd hun vader te bevrijden, wat prompt leidde tot de Oorlog van het Oog. De oor­log werd verloren, de kinderen en Ornach opgesloten. Ornach weet dat zijn kinderen nog leven, maar hij is wel bezorgd over ze.

 

Terwijl Boadice het lichaam van Merlin over haar schouder draagt, loopt ze met Ornach naar het paleis. Dit is in een behoorlijke staat van ver­warring en wordt door Merlin's lijfwacht bewaakt. Merlin's hoofd blijkt een goede toegangspas te zijn. Ornach's assistente zal het verder allemaal wel uitleggen, zelf vertrekt Ornach, niemand die hem ook maar een strobreed in de weg legt. Boa­dice wil zoiets ook wel, maar als zij een grote mond opzet wordt ze ongenadig op haar plaats gewezen. De kapitein van de wacht laat zich niet bang maken, vindt dat hij voorlopig hier de baas is, en dus bindt Boadice uiteindelijk maar in. Ze vertelt wie ze is, wat ze aantrof, dat ze Logrus liep, dat ze erheen ging om te helpen bij de reparatie van de Logrus en dat ze niets te maken heeft met Merlin's dood of de geestelijke toestand van Suhuy en Dara. Haar Chaos metgezellen konden volgens haar niet mee naar binnen, haar adoptievader wel. Het hoofd van de wacht is van dit alles niet bepaald onder de indruk. Hij verwijt haar dat ze niet alles gelaten heeft zoals ze het aantrof, is niet te spreken over haar arrogantie jegens de Logrus, en verandert geheel van toon als Boadice over het balletje vertelt. De ondervraging wordt gehaaster, puur routine. Ze wordt weliswaar verzocht om in het paleis te blijven, maar is duidelijk geen gevangene meer.

 

Boadice maakt gebruik van haar vrijheid en merkt dat ze nog wel aan haar Chaosvorm moet wennen. Ornach zit in de archieven verdiept en Boadice heeft dus even vrijaf. Tijd om de familie­boom van de Chartins eens na te pluizen. Ze heeft zo een lijstje klaar van 21 Chartins die moeten verdwijnen.

 

Verkenners melden Belissa dat het leger achter hen dat van de Bacharans is, tijd voor onder­handelingen. Belissa laat Alexander meegaan. Dat wordt dus een hoop beleefdheden uitwisselen en elkaar aftasten. Volgens Alexander kunnen ze het het beste op de verdediging van de Logrus gooien, ook krijgt hij het hele opvolgings rulebook te horen. Tijdens de onderhandelingen zelf is Alexander heel terughoudend. Zowel Jostin als Belissa laten zich in heel bezorgde bewoordingen over het lot van de Logrus en Merlin uit. De Bacharans hebben daarbij info die erop wijst dat Merlin niet op vrije voeten is. Deze zorg wordt door Alexander bevestigd, Merlin is namelijk ook niet via een Ambertroef te bereiken, dit in tegen­stelling tot bijvoorbeeld Adrian. Dat laatste lijkt Jostin wel wat, Adrian's troef is duidelijk een waardevolle asset. Tijd voor wat echte onderhan­delingen, wat zijn de doelen van de Hendrakes? Volgens Belissa gaan ze naar het centrum om te kijken wat er aan de hand is en er orde op zaken te stellen. Alexander voegt eraan toe dat hij wil voorkomen dat er een anti-Amber en anti-Galoria gezind kamp aan de macht komt. De Bacharans kunnen zich daar prima in vinden, ze hebben zich tenslotte al aan Amber gelieerd. Het zijn verder heel goede onderhandelaars, ze dreigen de Hen­drakes compleet voor hun karretje te spannen. Dat tijdens de onderhandelingen uitlekt dat het huis Hendrake gesplitst is maakt het voor Belissa niet makkelijker, maar dat wordt gecompenseerd door het nieuws over Sereva's zwangerschap. De deal wordt uiteindelijk dat de Bacharans Belissa's deel als de rechtmatige opvolgers van het huis Hen­drake erkennen terwijl Belissa's huis dan de claim van de Bacharans op de troon militair zullen ondersteunen. Het geheel wordt met een klonk op hun eeuwigdurende vriendschap afgesloten.

 

Jostin gebruikt Alexander's troef om contact met Adrian te maken. Deze heeft vooral behoefte aan een gesprekje onder vier ogen. Iets met de gevan­genschap van Sereva en de verschijning van Ornach. Voor Jostin is dit alleen maar meer reden om met zijn leger door te komen. Adrian heeft er niet veel zin in, hij wil achter Sereva aan. Uitein­delijk wordt er afgesproken dat Alexander eerst door zal komen en dat deze dan vervolgens het leger door zal halen.

 

Zo gezegd, zo gedaan. Adrian overlegt apart met Jostin. De Oban blijkt een soort moordenaarsgilde te zijn. Ze zijn erg kieskeurig in hun opdrachtgevers, alleen de allerrijksten en allermachtigsten kunnen zich hun diensten ver­oorloven. Als de Oban erbij betrokken is, is er een major House bij betrokken, en dus gaat het om een belangrijke zaak. Dat beperkt de kandidaten aan­zienlijk, waarschijnlijk zijn het ofwel de Sawalls ofwel de Helgrams. De Sawalls zullen de opvol­ging in de familie willen houden. Afhankelijk van het geslacht van het kind gaat de opvolging anders naar de Bacharans of de Helgrams. Het geslacht van het kind is weliswaar nog onbekend maar volgens Jostin is daar wel een mouw aan te passen. Het kind moet namelijk gewoonweg mannelijk zijn. De Sawalls hebben volgens hem geen koningsmateriaal meer terwijl de Bacharans een overvloed aan capabele regenten hebben. Ze moe­ten er volgens hem dus maar op gokken dat ze Sereva terugkrijgen en ondertussen het offensief tegen de Sawalls en de Helgrams beginnen. Aan­gezien Adrian toch aan niets anders kan denken moet hij zich maar met Sereva's opsporing bezig houden. De Oban vormen daarbij niet echt een startpunt, ze verraden nooit hun opdrachtgever. Hij kan zich beter op de Ways richten waar ze mogelijk gevangen wordt gehouden. De Sawalls hebben er vier plus het paleis. Bij de Helgrams is de familieresidentie van Jaill een voorname kan­didaat. Aangezien het leger van het Huis op weg is, kunnen een aantal Ways gevoeglijk uitgesloten worden, er blijven uiteindelijk nog vier andere mogelijke kandidaten over.

 

Alexander heeft zich ondertussen in zo'n positie gemanoeuvreerd dat alle communicatie nu via hem loopt. De Bacharans en de Hendrakes zijn er verder wel als eerste, de troepen van Sawall plus allerlei eenheden die loyaal aan Mandor zijn arri­veren snel. Uiteraard vinden deze dat de ordehandhaving meer hun terrein is en of de Bacharans en Hendrakes dus maar willen ver­trekken. Voor een meeting met Alexander heeft Mandor het te druk. Als deze er vervolgens fijntjes op wijst dat de Helgrams ook op weg zijn is er plotseling toch wat ruimte. De Sawalls willen nog steeds het vertrek van de Bacharans en de Hen­drakes, maar ze vissen ook naar bewijs dat de Helgrams bij de rebellie betrokken zijn. Hoewel de aanwijzingen in die richting wel sterk zijn, kan het bewijs niet geleverd worden. De Sawalls krij­gen niet voor elkaar dat hun claim op de troon gesteund wordt, maar aangezien niemand wat van de Helgrams moet hebben ontstaat er toch een soort noodgedwongen samenwerking.

 

Maurice