We zijn op weg gegaan naar Umons. Tegen de middag komen wij twee boswachters tegen die ons vertellen dat het een week lopen is naar Umons; ze geven ons twee konijntjes. Tegen zes uur slaan wij ons kamp op, en worden vergezeld door drie zigeuners. Een oudere vrouw in het zwart, een zeer mooi meisje, en een jonge jongen. De oudere vrouw wil onze hand wel lezen, iets dat sommige leden van onze groep wel willen laten doen. Bij Brian wordt gezegd: Het rechte zal het kromme zijn, en het kromme het rechte". Voor Kobowab: Me die denkt dat gij zo belangrijk zijt". Voor Hagar: "Ik zie een hele mooie vrouw op je weg". Dan vervalt de vrouw in een trance en zegt: "Eén zal sterven op een gewelddadige manier!". Ze keek heel de groep aan. Als ze de hand van Soghup leest kijkt ze de fighters aan en zegt! "Twéé tegen één is niet altijd gemeen". Na het aten dansen de zigeuners voor ons. We blijven gefascineerd kijken en na afloop vragen zij de helft van ons geld, wat wij op dat moment graag en zonder aarzelen betalen. De hele grote maan komt op en wij gaan slapen. Een ongestoorde nachtrust.
Bij het opkomen van de zon breken we het kamp op en vertrekken. In de ochtend komen we negen grote ruiters tegen die zwaar bewapend zijn. De meeste zijn in een zilverwit harnas gestoken en dragen lange witte mantels. Allemaal hebben zij als embleem een gele vlam. Het zij de leiders van Umons die op weg zijn naar Dumador. (Aantekening: Sommigen, de goodies, in de groep worden wel vriendelijk begroet.) Tegen de middag, als we uitrusten, komt er een venter die ons van alles verkoopt, o.a. wonderzalf. (Aantekening: knoflook en borstel) Hij zegt ons dat we tegen de avond in het stadje Brilok aankomen. Later als we weer aan het lopen zijn, komt er een kar uit de richting Dumador. De man naast de menner valt op door zijn uiterlijk: een grashoedje, vreemde schoenen, een zeer mooie rugzak, een soort superrugzak.
Tegen zessen komen we aan in Brilok. Er staan wat gebouwen en schuren, en een brug over een kleine rivier. Als we bij de brug aankomen worden we staande gehouden door twee Half‑Orks. "Tol !" roept een Half‑Ork. Prijs: 4 Sp. Slimme Brian dingt even zijn prijs af, en de rest betaalt de volle mep. Aan de andere kant van de brug staan weer twee Half‑Orks en eisen tol (slimme gasten dus). Even wordt er gedacht om twee koppen
te laten rollen maar dat idee vergaat als we een paar grote kruisbogen
zien. Brian dingt zijn prijs weer af en we betalen weer. Hier, aan de
andere kant van de rivier, vinden we een herberg.
In de herberg “Het Geurende Bosje" staan zes tafels, een haard en een toog, en is gevuld met Half‑Orks. De waard roept “Wapens in de boek !” wat wij ook doen. Aan een tafel zijn nog plaatsen vrij, waar tevens de man zit die wij in de middag tegenkwamen. Alle groepsleden gaan aan tafel zitten en bestellen wat te eten. Als we de herberg wat bekijken zien we aan de toog een grote norse man die iedereen schijnt te vermijden. Een paar mensen raken in gesprek met de vreemde man aan onze tafel. Zij naam is Bodur, maar verder laat hij niet veel van zich los. De Half‑Orks proberen ruzie met ons te zoeken waarbij ze o.a. Brian uitschelden, maar die blijft er heel rustig onder. Dan wordt onze kleine dief opgepakt, Elmo dus, en wordt met bier volgeschonken Bodur, de schrijver, wordt meegenomen voor een handdruk‑duel, wat hij expres verliest. Brian wordt ook uitgedaagd maar deze sterke man wint. De Half‑Orks verontschuldigen zich, en houden zich voorlopig weer even rustig.
Als er naar de waard gevraagd wordt naar kamers blijkt de norse man de grootste kamer te hebben. In de kleinere kamers past ons gezelschap niet meer in, en dus wordt de norse man aangesproken. Hij wil wel van kamer ruilen. De pas ontmoette schrijver trekt ook bij ons in.
Later op de avond wordt er in het café geslagen, en alle gasten doen mee. Helaas wij ook. Er wordt even lekker geramd en als alle stofwolken optrekken ligt bijna het hele gezelschap van ons plat, behalve Brian en Scafflok. Met Kobowab is iets vreemds gebeurd. Tijdens het gevecht viel hij tegen die norse man. Kobowab sloeg toen neer en ziet er nu koud en stijf uit. Brian legt hem bij het vuur neer zodat hij weer warmer kan worden. De mensen komen een voor een bij, en Bodur verzorgt ze. Met Kobowab is er nog steeds niets veranderd als we op onze kamers gaan slapen. Het is gelukkig een rustige nachtrust na de inspannende bezigheid.
's Morgens is Kobowab weer beter en we hebben een gezamenlijk ontbijt. De norse man die ons passeert als hij naar buiten gaat zegt hallo (!?). Als we weer aanlopen komt een kleine boer ons smeken of broeder Soguhp niet mee kan komen om zijn huis te zegenen. Deze doet dat wel en krijgt als dank al de bezittingen van de boer. Deze weigert hij natuurlijk, maar hij eet wel een lepel pap en zegt dat het heel lekker is en bedankt de boer. Als we weer weg zijn komt de pap bijna weer naar buiten, zo lekker was hij. De groep loopt dan verder tot de middag en rust dan uit.
Daar vraagt Brian om het magische bekertje. Hij experimenteert ermee en verbreekt een deel van het geheim. Als iemand het bekertje aan zijn lippen houdt, komt er water in. Het bekertje wordt aan Jonas teruggegeven. Na het middageten genuttigd te hebben, wordt de reis weer voortgezet.
Na een paar uur lopen zien we een kar met drie figuren, vader, moeder en zoon. De zoon wordt geslagen omdat hij het laatste water op de grond heeft laten vallen. De familie wordt geholpen en krijgt dus wat water voor de reis. De vader bedankt ons en de kar rijdt verder.
Om één uur komen we op een open plek en zien verderop wat water glinsteren in een meertje. Plotseling zien we alle dieren in paniek weglopen, en het bos wordt stil. We horen een vleugelklappend geluid wat snel dichterbij komt en wat enorm is. Als het boven ons is duiken wij weg achter goed vastzittende stenen, omdat zelfs bomen ontworteld worden. Dan is er een enorme bons/dreun. Wij vliegen alle kanten op en hebben wonden. Er zijn twee gaten ontstaan in de grond die veel van klauwen weg hebben. De spiegel van het meertje zakt plotseling, terwijl we niets zien. Dan barst er in een keer een orkaan van vuur las, en het bos vliegt in brand. Dan is er weer een vleugelgeluid en tenslotte stilte. “Een enorme draak die onzichtbaar is", wordt geopperd. We lopen weer aan, deze keer iets sneller vanwege de grote bosbranden.
Charel