Trotar, 10e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
Nog even hoe het lieve hondje van Khemron op ons reageerde:
Traz : Ze mogen elkaar spontaan
Orson : Ido dito, misschien zelfs wat sterker nog.
Mussurana : De hond reageert hetzelfde als op mij en Traz, maar Mussu's liefde is wat koeler. Hij mag de hond wel.
Irdor : Irdor mag de hond wel, maar andersom is het extreem niet!
Xerces : Extreem wederzijds niet.
Hagar : Het beest mag Hagar wel, maar Hagar vindt het maar niets.
Marissa : Wederzijds neutraal.
De manier waarop Khemron aan de hond is gekomen? Ze zijn elkaar tegen gekomen in het woud en sindsdien trekt Khemron met de hond op. Het was liefde op het eerste gezicht.
Krodahl heeft Irdor de Desintegrator van Xerces gegeven met de vraag of hij hem kon opladen door een magiër. Xerces vond dat niet leuk en wilde niet begrijpen dat het voor ee goed doel was en had dus weer flink zijn nagels in Krodahls schouder gezet.
Xerces heeft twee ringen: een voor bescherming en een voor vonkjes. Het is duidelijk dat de laatste graag zou willen omzetten in eentje met vuurballen.
Maar goed we waren dus bezig om Traz op de boot te krijgen. Met mijn hand in de rug van Traz helpt ook niet veel. Daarom probeer ik het eens met woorden en scheldt hem uit als MIETJE! On dertussen loop ik naar de boot en ga er op waarna ik Traz weer uitscheldt voor een MIETJE!Traz besluit toch maar om zich mietje te laten noemen en loopt naar de boor. Echter, halverwege de loopplank blijft hij pardoes staan! Weer helemaal beseffend waar hij nu is en wat hij ging doen staat hij als bevroren stil. Traz durft zich nu niet vooruit als achteruit te begeven. Maar goed dat er nog Hagar is. Die gaat hem wel halen. Hagar gaat achter Traz staan en duwt deze dan naar voren toe naar de boot. Traz kruipt dan heel zielig weg naar het midden van de boot. En de eerste tijd: zolang hij daar zit weggedoken is er "helemaal niets aan de hand".
Het is nog 's morgens vroeg als we vertrekken en door de haven heen naar buiten toe manoeuvre ren. Op een gegeven moment zijn we los uit de algemene drukte en varen richting het Noord Westen. Het gaat echter niet zo hard als sommigen gedacht hadden: met de paarden zouden we veel sneller gegaan zijn. We varen onder de Brug der Goden door en over de ketting. Dan komen we aan bij een splitsing en na zo'n 2 à 3 kilometer zien we links een stenen gebouwtje met wachten. Het is Bastion Noord waarvan één toren in het water staat. Dan komt de kapitein bij ons zitten.
Mussurana heeft toch wel een beetje medelijden met Traz dat zielige ventje. Hij bewerkt Traz dan ook een beetje suggestief en het werkt nog ook, een beetje dan. Op dit moment varen we richting Noord.Het kan dan niet uitblij ven of we naderen iets in de rivier. Een eilandje in het midden van de rivier met daarop ruïnes van een gebouw: de Vesdama Ruïnes (= Vestiging in de rivier). Het gebouw is een vierkante constructie geweest met vier torens. Het was een vestiging van Kroch en zoals alles wat Krochmen sen neerzetten, ook dit was weer een meesterwerkje. De wanden zijn vrij steil en heel moeilijk toegankelijk. Aan de Oostkant is er een soort landingsplaats. Mussurana is helemaal niet blij dat we dichter in de buurt komen: Hij krijgt een raar onwerkelijk gevoel van vermoedelijk Ves dama. Pjotter, de kapitein, zegt dan: "Hoezo? Het schijnt er soms te spoken en dat is al lang zo. Mensen die er overnachten vertellen dat er soms rare dingen gebeuren, maar ik denk niet dat het interessant is om het te bezoe ken. Bovendien moet je daar oppassen want er komen daar wel eens smokkelaars." Voor Mussurana wordt het gevoel steeds sterker naarmate we Vestdama naderen. Als we bij de ruïnes zijn krijgt hij zelfs een "OH! OH!"-gevoel. Het gevolg is dat we Mussurana heel nerveus zien worden. Hij heeft het gevoel alsnog hij steeds wordt aangevallen. Pjotter vraagt wat er aan de hand is met Mussurana, waarna we uitleggen dat Mussurana soms zo'n gevoel krijgt. Bij de ruïne zelf zit Musje dan ook helemaal in elkaar gedoken! Pas als we het gepasseerd zijn wordt het langzaam aan weer minder.
De Vesdama ruïne is een ideale plek om de rivierloop te beheersen. Volgens Pjotter is er al eeuwen een ruïne. Hij kent een verhaal over smokkelaars die daar overnacht hadden waarmee het heel erg slecht was afgelopen. Het had iets te maken met spoken of zo. Hagar zit dan te denken over wat er nu was met Bastion Noord. Toen hun er waren, waren er ook van die rode mantels en die hadden een spiegel die op Vesdama was gericht. Daar hadden ze ook het blauwe balletje gevonden. De spiegel zelf stond midden op het dak. (Als we de bocht om zijn heeft Mussurana geen last meer van Vesdama)
We varen nu Noord West. Nu we toch tijd hebben voor het een en ander vertel ik aan de rest van de groep hoe het stamteken van de orcen waarna ik op zoek ben er uit ziet.
's Avonds legt Pjotter de boot aan op de Oost-oever. De oever aan deze kant is heel weinig begroeid, er groeien wat struiken. Pjotter vertelt dat hij nooit wachten uitzet. Kan toch alleen hooguit dat Tuig uit Arketan zijn. Mara grijpt zijn kans en springt op de oever. Maar goed wij laten ons niet afleiden door Pjotter en willen toch wel de wacht regelen. Krodahl deelt dan mede dat hij ook wel een Guardian kan oproepen. Het is een leuke kracht die hij van Kroch heeft gehad. Hij kan daarmee een wachter oproepen voor zo'n 12 uur. {Technisch: 2 uur per level een wachter van derde level met een AC van 2} Pjotter protesteert tegen het voorstel van Krodahl. "Ik ben niet weg van dat soort dingen. Wat gebeurt er als het fout gaat? Dan vallen er natuurlijk dooien hè...". Dat is eigenlijk voor anderen ook een reden om Krodahl ervan te overtuigen dat de Guardian niet nodig is. Bovendien woont er aan deze oever het Ruitervolk. En die houden niet zo van water en Wolufe zit er nu bij.
Na een uur of zo komt Mara terug met een konijntje in zijn bek. Pjotter vraagt naar de watervrees van Traz. "Je hebt zeker nog nooit gevaren?" "Nee, inderdaad!" "Houdt dus in dat je het vaker moet doen, dan gaat het vanzelf wel over". Mussurana laat dan weten dat hij van een woestijnwereld afkomt en daar is het best wel lastig oefenen als je bijna geen water hebt. Pjotter gelooft hem niet. Hij heeft nog nooit van zo'n streek gehoord. Klopt, maar Mussurana komt dan ook van overzee. "Dat kan toch niet!" "Jawel hoor. Bijvoorbeeld zwemmend of via een vliegend tapijtje." We praten dan een beetje over de geografie van deze wereld, hoe heet die eigenlijk?!!
Verder naar het Noorden toe wordt het steeds kouder en dan houdt de wereld op. De zee over steken hoort niet. Daar heeft Pjotter nog nooit van gehoord. Wel via het land naar de West kant, maar dat kost je zeker een ½ jaar reizen. Wat je wel kunt doen is eerst een stukje Oost gaan en dan naar weer naar het Zuiden. We hebben het dan even over die rare lui van de andere kant. Ook weten we dat achter Morovia nog meer ligt. Daar is nog nooit iemand geweest. Het ziet er ook niet uit erg uit. Wel kun je er ziek worden. Dan dwaalt het onderwerp af naar het vechten tegen zeemonsters. Zo kom ik ook te weten dat er Reuze Zeeschildpadden zijn die zo groot zijn dat er een huis op past.
Voor het slapen gaan probeer ik nog magisch bouillon te maken. Het lukt me inderdaad om drie porties te maken.
Zontar, 11e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
De volgende dag. We ontbijten en iedereen is weer bezig met zijn gebruikelijke ochtend rituelen: Bidden, mediteren, vroeger ook nog studeren etc..
We meren af en varen verder. Na een tijdje wordt het gebied aan de Westkant hoger en steiler. De oever gaat oever in een soort witte steen, maar het is wel bebost. Volgens Pjotter is dat witte gesteente Kalk, Kalkrotsen. Het brokkelt heel makkelijk af daar het erg bros is. Volgens Irdor wordt het witte poeder wat er van gemaakt wordt gebruikt om inkt mee te drogen.
Na een uurtje of wat wordt het rechts ook witter. Het bos links (Westoever) ligt dan echt hoger. Een prettige bijkomstigheid is dat het ook wat comfortabeler begint te worden. Een heil eind West moet de grote weg lopen. De linkeroever wordt steeds hoger.
Halverwege de dag zitten we halverwege Dumador en Brilock. 's Avonds probeer in de zalf Tweede Huid te maken, maar dat mislukt helaas, want nu ben ik de ingrediënten ervoor ook kwijt.
Amtar, 12e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
Vandaag worden de paarden eens extra verzorgd. Irdor heeft ook contact op genomen met Archimeleon. Die adviseerde Irdor om zich aan niemand te vertonen zover het aangaande zijn opdracht is.
Mussurana en Xerces besluiten om samen eens een keertje te gaan vissen. Maar goed, halverwege de middag zien we verderop een samenloop van boten. Op de linkeroever (Westoever) ligt een vissersboot waar een andere boot door zijn netten is heen gegaan. Die andere boot is een handelsboot. Overal liggen er vaten in het water en de boots- en handelslieden c.q. vissers zijn een stevig deuntje ruzie aan het maken. Het schijnt al een tijdje bezig te zijn. Als we ze dicht genoeg genaderd zijn zien we dat de boeg van de handelsboot is beschadigd en de zijkant van de vissersboot. Hier ligt nog veel meer troep in het water. Pjotter is er helemaal niet blij mee, want als hij niet oppast loopt hij zelf nog schade op. Xerces kijkt eens op de rechteroever, maar daar is geen mens te zien dus kunnen ze ons daar ook niet overvallen. Als we er voorbij varen rammen ze ons bijna, maar dan blijkt dat Pjotter een goede schipper is en er gebeurt niets.
Pjotter wordt gevraagd om een onafhankelijk mening. Hij komt dan met ons overleggen wat ie nu moet doen. (De handelsboot komt uit Arketan.) Hij waarschuwt ons dat het wel eens twee dagen kan duren. We besluiten om te keren, maar dan moet het wel binnen een dag gebeurd zijn. Met een roeiboot sturen we een afvaardiging: Pjotter, Hagar (die had wel zin in een verzetje), Krodahl en Mussurana.
Als ze bij de twee boten aankomen worden ze erg vriendelijk onthaald. Blij als de handelskapi tein is vraagt hij: "Wie zijn die lui? Wat moet dat?" Oftewel ze zijn uiterst brutaal. Hagar weet daar echter wel raad mee en maakt er korte metten mee. Een andere vervelende gast duikt onder het dek weg als Krodahl hem aankijkt. Mussurana spreekt de handelskapitein aan: "Man doe wat rustiger!" En dat helpt, want de kapitein is meteen gekalmeerd terwijl hij een secondje ervoor vreselijk boos en kwaad was. Ondertussen kalmeert Hagar de rest. We brengen de twee kapiteins over naar onze boot. Het verhaal:
De lui van de vissersboot waren hier dus aan het vissen. Blijkbaar was een van de netten losgeraakt en daarna verstrikt geraakt in het roer van de handelsboot, waardoor deze vast kwam te zitten. Dus volgens de handelskapitein heeft de kapitein van de vissersboot de eerste schuld en zal dus moeten dokken, maar de visserskapitein is het daar niet mee eens: Had ie maar niet zo langszij moeten komen dan had ie ook niet in zijn netten gevaren. Uiteindelijk, het wordt dan al avond, komen ze tot een schikking. Eigenlijk mede omdat Pjotter ook al eens zoiets heeft meegemaakt. De kapitein van de vissersboot zal de schade aan de kapitein van de handelsboot moeten vergoeden.
Ondertussen gebeurt er buiten ook het een en ander. Krodahl probeert een paar lui uit te horen en wordt daarbij geholpen door Hagar. PETS! PATS! KNAL! PRATEN ZAL JE! "Muhhhhhh..." is het antwoord. PETS! PATS! KNAL! KOP DICHT! Dan vraagt Krodahl over de toestand, maar deze weet daar niets van af. Het blijkt dat ze iemand moesten halen in Arketan, maar hij weet niet wie. Hij vertelt graag alles wat ze maar willen weten, maar erg veel hebben ze niet aan hem, want hij weet niets. Daarom besluiten ze de bootsman onder handen te nemen. De bootsman begint al erg goed: "Wat mot je elf!" Heel dreigend komt Hagar op hem af: "Heb je iets tegen elfen?" "Nee, niet tegen alle elfen, maar wel iets tegen die groene." Krodahl vraagt het dan nog eens aan hem wat de toestand is in Arketan."Oh, is dat alles. Zeg dat dan!"
Volgens hem is de toestand in Arketan slecht en er zijn veel legers. Hij is zelfs 'misschien' in Arketan geweest. In Arketan zijn ze echter niet aangehouden door de wachters. Verder wil hij niet vertellen wat ze daar gedaan hebben. Dat moeten we maar aan de kapitein vragen. Verder wil hij niets meer zeggen, behalve dat ze manieren hebben om de controles te omzeilen. Marissa biedt dan aan om te horen hoe ze langs de controle zijn gekomen. Dat is goed, maar niet waar de anderen bij zijn. daarom loopt ze even met hem weg. Als ze terug komt zegt ze met een stalen gezicht dat ze niets weet!
Ondertussen ondervraagt Mussurana de kapiteinen. Maar ook de visserskapitein begint even wazig te doen als zijn collega wanneer het onderwerp Arketan wordt en wat ze daar gedaan hebben. We krijgen wel heel erg de indruk dat we te maken hebben met de ene smokkelaarsgroep tegen de andere smokkelaarsgroep.
's Avonds worden de twee kapiteins de boot afgegooid. Even later komen de visserslui ons vis aanbieden. Op de boot van de handelaar zijn ze bezig het roer vrij te maken. Maar ze zijn zo ontzettend aan het klungelen dat Khemron het niet meer kan aanzien. Hij springt dan ook het water in om hen te helpen. Bij het roer komt hij tot de ontdekking dat het net kapot moet worden gemaakt om het er nog af te kunnen krijgen. Hij gaat dat dan ook vragen en beide vinden het goed. De vissers vinden het wat minder, maar hebben geen zin om zelf te gaan zwemmen. Terwijl Khemron terug komt zwemmen om zijn mes op te halen stuit hij op een van de vele vaten die in het water liggen. Hij wil het vaatje gaan onderzoeken, maar helaas zit die dicht. Wel wordt er door de handelslui geroepen: "Hé! Blijf er van af!" Waarna van ons het antwoord komt: "Nee! Gewoon opmaken!" Maar ja, zonder mes gaat dat niet dus komt hij maar terug. De visserslui gaan ondertussen met een roeiboot de vaten verzamelen (nu pas).
Nadat Khemron zijn mes heeft opgehaald duurt het nog zo'n twee uur voordat het net is losgemaakt. Tegen het donker is hij dan ook pas klaar. Xerces gaat op onderzoeken uit naar het roeibootje wat ondertussen uit zicht is. Vrij snel ziet hij het bootje en ziet de vissers een vat in de boot te krijgen, hetgeen echter niet lukt. Dan maar een net er om heen en het verderop naar de kant slepen. Dat vertrouwen wij dus niet helemaal en Hagar gaat dan ook naar de boot: "Kom de vaten inspecteren!" Uiteraard is er veel protest, maar er wordt verder niets ondernomen om Hagar tegen te houden. Ze herinneren zich blijkbaar hun eerste kennismaking met hem nog. Hagar breekt een vaatje open en kijkt wat er in zit. "Zit niet veel in", roept hij. Volgens hem zit er alleen maar eten in en is het vat maar half gevuld. Dus volgens Hagar is er niets aan de hand en komt hij terug naar ons.
Na het eten vraagt Pjotter aan Mussu-rana hoe dat deed met die visserskapitein, want die was wel heel emotioneel. Mussurana probeert dat uit te leggen dat het komt door zijn mensenkennis. Maar daar trapt Pjotter niet in, dat heeft hij ook. En hij kan het desondanks niet. Mussurana laat hem dan maar zo wijs. Vannacht houden we wacht.
Timtar, 13e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
We worden wakker alsof we heel diep hebben geslapen. Tot onze grote schrik zijn we allemaal gebonden. Buiten horen we voetstappen. Ook zien we dat Marissa er niet bij is. Irdor en Hagar die de wacht hadden, hebben een grote bult op hun hoofd. Gelukkig is er Mussurana, want die is zo los. Dan komt Marissa binnen: "Goede morgen. Irdor heb je veel last van die bult. Sorry, maar het kon niet harder. Grapje.... Hum de knopen zijn erg goed gemaakt. Ik had ze zelf kunnen hebben gemaakt. Grapje..." Nou, wij vinden het helemaal geen grapje. Het blijkt dat we al onze waardevolle spullen en nog een paar andere dingen kwijt zijn, maar niet onze magische spullen. Ook hebben we nog allemaal onze drie ringetjes van de elfen. Mara schijnt een slaapdrankje te hebben gehad.
Wat zijn we zo al kwijt: Al onze geld en juwelen, alle zilveren pijlen, Mussurana's ketting met bloedkoraal, mijn zilveren ring met saffier, mijn parel en vast nog wel een paar dingen meer. Marissa doet dan haar verontschuldigingen:
"Ze wilden ons allemaal afmaken, maar dat kon ik uiteraard niet toestaan. In ruil daarvoor heb ik aangeboden om de roof makkelijk te maken. Tevens heb ik er voor gezorgd dat ze alle speciale spullen hebben laten liggen. Bovendien heb ik nog een paar dingen kunnen redden: Orson's kistje, een gouden inktpotje en de ketting met bloedkoraal. Ik mocht ze niet tegenhouden vanwege mijn godsdienst, maar als ik niets had gedaan dan waren jullie nu dood geweest. Ook ik heb mijn goud moeten opofferen om voor ons te onderhandelen. Dat ik dit gedaan heb, kost me vandaag dus van mijn krachten."
"Ik was vroeger dief en op een gegeven moment vroegen ze aan mij of ik leerling-proefdraaien- stage wilde lopen bij haar huidige tempel. Na een bepaalde tijd kwam het moment dat ik pries teres ben geworden. Mijn dieventraining is daardoor wel achteruit gegaan, maar wel kan ik nu meer om de dieven te helpen. Ook heb ik nu meer kennis over de handelsbalans, godsdiensten en andere algemene zaken."
"Daarom komt het er dus op neer dat ik jullie niet kan helpen inzake inbraken bij jullie en dat soort zaken. Dat mag ik gewoonweg niet vanwege mijn godsdienst. In de toekomst zullen jullie daar dus rekening mee moeten houden."
Pjotter is heel erg boos. Hij is heel erg veel kwijt, maar ziet in dat het eigenlijk zijn eigen schuld is geweest. Marissa was ook erg verbaasd dat we terug gingen om hen te helpen. We hadden het er in het begin zelf over dat het boeltje niet te vertrouwen was. Dus in eerste instantie was ze opgelucht dat we er langs gingen. Xerces is trouwens erg slaperig of doet alsof hij heel erg slaperig is.
De omgeving wordt steiler. Ook de rechteroever wordt veel steiler. Op een geven moment meldt Xerces dat er een boot aankomt, een soort vissersboot. Als we de bocht om zijn zien wij hem ook. Wanneer we er langs komen beginnen de vissers te zwaaien, terwijl ze de vis verder ophalen. We kunnen helaas niet de boot af om een portie vis te gaan kopen.
Gedurende de dag varen we onder een brug door. Het is hier ook bijna het hoogste punt en daar waar de wanden het dichtst bij elkaar staan. Over de brug loopt de weg van Dumador naar Arketan.
's Avonds zet Krodahl midden op de boot een Guardian neer. Wij voelen meer dan we zien dat er eentje is, eigenlijk zien we hem helemaal niet. Krodahl ziet heel vaag een soort krijger staan. Hij zit flink in het harnas. De Guardian kan geraakt worden. Verder kan hij goed zien en waarnemen. Als er iets is slaat hij alarm en begint te vechten. De Guardian heeft een special attack, een soort paralize en het heeft iets te maken met geluid.
Verder weet Marissa te vertellen dat de wierook staafjes heel kostbaar zijn. het is een zwarte markt artikel en een staafje is zeker een gp waard.
Rotar, 14e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
Op een gegeven moment komen we aan bij het punt waar de oevers het hoogst zijn. Maar we moeten verder zijn. Tegen het eind van de dag komen we een patrouille boot tegen. Deze zit helemaal vol met goblins en ander schiettuig op het dek. aan beide zijden zitten zes roeiers. Ze besteden verder geen aandacht aan ons, mede dankzij onze pogingen Hagar rustig te houden. Die had wel weer zin in een knokparteitje. Het blijkt dat we al redelijk in de buurt zitten van Arketan. Daarom wordt het eens tijd om een geschikte aanlegplaats te vinden. Vrij snel vinden we een plek. De oever is hier laag genoeg, zodat we van de boot afkunnen.
Traz deelt mee dat we drie dagreizen van de weg af zitten. Als we tenminste door het woud reizen. Het woud war we nu zitten is een onderdeel van Het Drie Steden Woud. Het woud vlakbij Dumador hoort daar ook bij en heet het Woud van Alron (tussen Bastion Noord en Dumador). Ook het woud tussen Umonds en Arketan hoort erbij. Dat woud heet het Woud van Dnom (is een woord in een andere taal). Het woud waar we nu zitten is er een waar monsters zitten, bijvoorbeeld Reuzen Wezels. Ook zitten er orcen, goblins, hobgoblins en beergoblins. Om het verhaal compleet te maken: we moeten ook nog door slechte stukken van het woud. Die stukken zijn net zo als rondom Ornac. Bij die rotte plekken zijn ook ruïnes. Dan dwalen we af van het onderwerp en zitten een tijdje te ouwehoeren over vrouwen.
Pjotter vertelt zijn bemanning nu pas dat hij van de boot af gaat. Daar zijn ze helemaal niet blij mee. Pas als ze van Marissa een briefje krijgen waarmee ze op een bepaald adres geld kunnen halen zijn ze wat rustiger. Het blijft voor Pjotter zo wie zo de vraag of ze zijn boot desalniettemin zullen verkopen.
We leggen de loopplank uit en halen alles van boord wat we nodig hebben voor de reis. Direct aan de oever is er nog wat gras, een beetje verderop begint het woud. Sommige aanstellers in de groep vinden het best wel eng om het woud in te trekken. Net alsof dit schittert dichtgegroeid loofbomenwoud ons iets zou doen. En dat Traz hier bomen kent waar hagedissen in zitten is echt bijzaak. De rest slaat het kamp op terwijl ik van de gelegenheid gebruik maak om op onderzoek te gaan.
Meteen als ik de woudrand ben gepasseerd raak ik weer even onder de indruk van zo'n majestueus woud. Met volle teugen laat ik de sfeer door me heen dringen. Iets dieper het bos in staan al grote varens in de donkere luwte van de loofbomen. Ik pluk een paar bladeren van de varens om later eens te onderzoeken wat voor krachten ze verbergen of in zich hebben. Terwijl ik zo door de varens heen loop zie ik opeens een soort plant groeien in de schaduwen van de varens. De plant heeft kleine friemelige bloemetjes, een hele lange stengel en stelt eigenlijks helemaal niets voor. Juist omdat het zich aan alle kanten te best doet om niet op te vallen, valt hij voor mij dus heel erg op. Daar moet wat meer mee aan de hand zijn. Ik loop er dan ook op af. PONG... Daar springt een bruin vlo-achtige insekt op me af, maar mist me gelukkig. Ik zie dat het een soort teek is, een Reuzen Teek. Dat kan kloppen want die zitten vaak in varens. Het zijn niet zo'n leuke beesten, want als die in je huid komen is dat uiterst vervelend. Voor de zekerheid loop ik een andere kant op. PONG... Weer eentje en weer gelukkig mis. Maar het wordt me wel een beetje link hier. Daarom zet ik een bescherming op mezelf, zodat ik minder kans heb om geraakt te worden. Terwijl ik verder loop word ik weer besprongen door twee teken (PONG...PONG...), maar beide missen me. PONG...PONG...PONG... Dat waren er drie die me probeerde te raken. Eentje zou vast en zeker doel hebben getroffen, ware het niet dat hij ergens op afketste. Poef, blij dat ik die bescherming heb. Zonder verdere onderbrekingen kom ik aan bij de plant. Meteen onderzoek ik wat de natuurlijke eigenschap is van de plant. De plant ziet eruit alsof hij niet de moeite waard is. Wel merk ik dat het sap van de plant heel bijzonder is. Het is heel sterk, maar niet natuurlijk. Daarom onderzoek ik de plant op zijn magische eigenschappen. Daaruit blijkt inderdaad dat het sap magisch actief is. Als je het sap opdrinkt, word je doorzichtig of zo. Omdat ik weet dat het alleen de stengel is, neem ik ook allen dat mee van de plant. Wel conserveer ik de stengel, voordat ik terug loop. PONG..., weer mis. Sommige van de Reuzen teken zie ik de bomen alweer in klimmen.
In het kamp vertel ik het heuglijk nieuws. Het enige wat ze blijkbaar gehoord hebben is het stuk over de Reuzen teken. Benauwd kijken ze dan Traz aan. Die weet te vertellen dat er een sap van een wortel is dat als die gebruikt je geen last meer hebt van die Reuzen Teken. Gerust haalt de groep zijn schouders op, maar laten die meteen weer zakken als blijkt dat de plant waar de wortel van is meestal niet in de buurt van varens groeit, maar op heel andere plekken.
Het is etens tijd en sommige zitten in stilte aan hun maaltijd, misschien denkend dat het hun laatste avond maal is als we morgen het woud ingaan.
Krodahl roept na het eten weer zijn Guardian op. Die begint meteen als een gek in de lucht te slaan, in de grond te steken en de varens te kortwieken. Opeens rent hij met volle vaart de varens in en we horen een afschuwelijke schreeuw. Allerlei kleine diertjes, torren, enzovoort, vallen uit de varens en de bomen. De Guardian is echter nog lang niet klaar en gaat nog een half uurtje door met het bevechten van allerlei insekten en ander onbelangrijk spul. Na dat half uurtje is ie op en is dan verdwenen.
De wachtvolgorde:
1e Marissa en Mussurana
2e Irdor en Khemron
3e Traz en Krodahl
4e Orson en Hagar
Utar, 15e dag van de Maand van het Insekt, in het jaar 311 N.O.
De volgend morgen. Mara is ergens erg onrustig van. Blijkbaar ruikt ze iets. Khemron praat dan wat met Mara en komt zo te weten dat we in het gebied zitten van een groot monster. Traz denkt dan dat we in het territorium zitten van een Schrobbenslokker. Dat schijnen grote vierkantige beesten te zijn. Het is een soort leeuw, maar veel groter en met olifantenpoten en een verschrikkelijke muil. Ze wonen in heide gebieden. We nemen afscheid van de bootslui. Zullen we ze nog een keertje zien?
Traz en Khemron gaan op de paarden en Traz vertelt ons dat ze even gaan verkennen. Dus wij wachten wel even. Na een tijdje zijn ze weer terug. We besluiten dat Traz vooruit rijdt om de boel te verkennen en Khemron bij ons blijft. We vertrekken...
Traz rijdt richting West weg. Hij gaat niet ver voorop rijden, want voordat je het weet is ie al te ver van rest af. Hij zorgt ervoor om binnen 1 minuut van de groep te blijven. Op een gegeven staat Traz ons op te wachten aan de rand van een groot heide gebied. De vraag is nu: Gaan we er omheen of gaan we er overheen?
Orson Warloc,
Natuurmagiër